Home

Afgelopen weekend verscheen een controversieel stuk in De Telegraaf met als titel ‘De PvdA wijst migranten als automatische bondgenoot af’. Het ging over de multiculturalisme paragraaf van het recente PvdA-rapport, geschreven door Paul Depla. Op Twitter ging het verhaal rond dat De Telegraaf de dingen uit zijn verband heeft gerukt en uit context heeft geciteerd. Dat is ten dele waar. Bij het lezen blijkt het rapport op dit thema subtieler en bovenal voorzichtiger te zijn geformuleerd dan wat De Telegraaf ervan heeft gemaakt. Maar er zit wel degelijk eenzelfde monoculturele lijn in.

Ik heb er drie alinea’s uitgelicht. Hier de eerste:

“Juist waar het gaat over de multiculturele samenleving is het gevoel ontstaan dat de terechte emancipatie van de migranten, leidt tot een aantasting van verworven rechten en vrijheden. Want gaat het erom de rechten en vrijheden van migranten te versterken? Of betekent de emancipatie van migranten vooral dat “onze” rechten en vrijheden worden aangetast? Moeten “we” een stap terug doen uit respect voor de waarden en normen die met de komst van migranten worden geïmporteerd? Wellicht onbewust, en zeker onbedoeld, is dit het gevoel dat maatschappelijk steeds sterker wordt gevoeld. Een gevoel waardoor de discussies over symbolen van Nederlandse identiteit als Zwarte Piet en Zalige Kerstdagen zo snel groot worden. En wordt de conservering van die symbolen als hoogmis van (nationale) emancipatie wordt gevierd.”

Wat gebeurt hier? Er wordt in de eerste alinea de impressie van een zero-sum tegenstelling gewekt – een afruil – tussen de rechten van ‘migranten’ en die van witte Nederlanders. Die tegenstelling wordt toegeschreven aan een gevoel. Dat gevoel wordt vervolgens niet weersproken. Een witte ‘we’ wordt afgezet tegen een migranten ‘zij’. Allebei met omfloerste haakjes eromheen. Er wordt geen alternatief ‘wij’ aangedragen, een inclusieve nationale identiteit waar mensen met een migratie-achtergrond ook bij kunnen horen. Daarbij is het gebruik van het begrip ‘migranten’ voor Nederlanders met een migratie-achtergrond, nogal misplaatst. Voor een belangrijk deel zijn dit nota bene mensen die hier geboren en getogen zijn. Wanneer adresseren we die als Nederlanders? Blijven we die voor altijd ‘de ander’ en ‘de migrant’ noemen?

Dan wordt in de tweede en derde alinea Den Uyl op een vreemde manier opgevoerd als voorstander van assimilatie:

“Ook in dit opzicht is het interessant om te zien wat Den Uyl ooit schreef over deze kwestie. In 1951 was Nederland nog een emigratieland. Volgens Den Uyl was de emigratie noodzakelijk om mensen zekerheid van bestaan te geven. Daarbij had hij wel een belangrijke waarschuwing voor de migranten. Want volgens hem was het al “te zeer beklemtonen van de culturele banden tussen de emigrant en het land van herkomst onjuist en gevaarlijk, omdat, de ervaring heeft geleerd, het persoonlijke welzijn van de emigrant het beste wordt gediend wanneer hij zo snel mogelijk geheel opgaat in de stijl en levenssfeer van het nieuwe land en volk.

In de huidige tijd voelt zo’n uitspraak van den Uyl ongemakkelijk. Omdat we als sociaaldemocratie van mening zijn dat de wereld van iedereen is. Waarbij we als internationale beweging ook altijd ruimte geven aan de ander. En vrijheid voor ons betekent toch ook de vrijheid voor de migrant om zijn leven te leiden. We staan als sociaaldemocraten toch voor een open en tolerante samenleving. Natuurlijk. Maar toch. Stel het zou niet gaan over migranten, maar over grote groepen orthodox-christenen uit bijvoorbeeld Staphorst of Urk. Zouden we het dan ook moeilijk vinden om ons standpunt te bepalen? Zouden we dan ook respect hebben voor de zondagsrust? Zouden we dan ook ineens grote waardering hebben voor hun culturele waarden? Zouden we dan ook de dominee opzoeken als PvdA om met hem te spreken over de manier waarop we de orthodoxe jongeren op het rechte pad zouden moeten houden?”

Om Den Uyl op deze manier te portretteren is een duidelijke verdraaiing van de partijgeschiedenis. De doorbraakstrategie uit de jaren vijftig richtte zich juist op het openstellen van de PvdA voor mensen uit andere geloven. Het was indertijd een sterk pluralistische partij. Je kunt daar toch moeilijk met terugwerkende kracht een cultureel assimilatieverhaal op projecteren. Zelfs als het om orthodoxe christenen gaat, zou de strategie eerder bestaan uit het politiseren van sociaaleconomische ongenoegens onder christelijke arbeiders, om zo de naoorlogse dominantie van christelijke partijen te ondergraven.

Ik zie niet zo goed wat de partij wint met het politiseren van religieuze identiteit. En ik denk dat Den Uyl hetzelfde gedacht zou hebben. Sinds wanneer is het bestrijden van de zondagsrust een prioriteit voor de PvdA? De strategie was juist om te laten zien dat er ook plaats was voor religie in de partij. En over dat opzoeken van de dominee: laten we niet vergeten dat de PvdA lange tijd een dominee als leider had: predikant en theoloog Willem Banning. De dominee zat gewoon in het partijbestuur. Het was een partij doordesemd met christelijke elementen. Los van wat je daar van vindt – ik ben zelf blij dat we daar vanaf zijn – het is een beetje vreemd om de partijgeschiedenis achteraf te gaan reviseren, enkel om de tegenstelling tussen de PvdA en religieuze migranten aan te scherpen. Dat een partij zoveel moeite doet om te laten weten welke mensen niet bij de partij thuishoren, het is volgens mij een unicum.

De lijn die het rapport op dit thema voorstaat, heeft veel weg van het atheïstische monoculturalisme van Paul Cliteur. Zijn politieke sympathieën mogen bekend verondersteld worden. Al met al een opvallende breuk met de lijn die Asscher vorig jaar had ingezet, in het verlengde van het Ieder1 initiatief.

 

2 thoughts on “Het mono­culturalisme van de PvdA

  1. De PvdA heeft al eerder afstand van hun historische wortels gedaan. Toen Wim Kok aantrad als nieuwe fractieleider en lijsttrekker na Den Uil, vond hij het tijd dat de partij haar ideologische veren af ging schudden. De partij doet er goed aan om eens echt na te denken wat de koers moet zijn voor de partij.

  2. CITAAT. Paul Depla (PvdA-prominent geloof ik): ‘De PvdA wijst migranten als automatische bondgenoot af’.

    MIJN REACTIE.
    Immigranten vroeger gul tot de USA toegelaten, werden snel na aankomst op Ellis Eiland e.d. door Amerikaanse beroepspolitici ‘geëxploiteerd’. Als ‘voting bank’, waarvan beide partijen konden profiteren. Die politici kwamen aan hun baan, moesten iets terug doen, en zo konden de nieuwkomers gaanderweg integreren, of zoiets. Op z’n modern-Nederlands: een lucratieve Deal. Dit alles bij historische benadering.

    Het lijkt erop dat de NL-PvdA als die Amerikaanse lui van toen heeft gehandeld (gedacht?), maar bedrogen is uitgekomen. Haar ‘flirt’ met de ‘vreemdeling’ is zacht gezegd op een blauwtje uitgelopen, het Land betaalt de prijs. En Wildersdeugtniet.

    Enige Volkenkundige kennis had de PvdA voor dat échec kunnen behoeden. WANT leert zij:

    Vogelvrij en onder hemelse sanctie is de vreemdeling iemand met wie je structureel twee kanten op kunt. En is het de primitieve samenleving gegeven beide zijden als evenwaardige mogelijkheden te demonstreren.
    ‘Indien’, schrijft Claude Lévi-Strauss, ‘onder meer bij de Ifugao op de Filippijnen de meest algemene betekenis van aidu vreemdeling is, en indien de afgeleide betekenissen daarvan 1. aanverwant (geallieerde) en 2. vijand zijn, dan is het volkomen duidelijk dat die laatste twee betekenissen twee onderscheiden modaliteiten zijn van, of exacter twee manieren van kijken zijn naar dezelfde realiteit’.

    De PvdA koos voor de eerste modaliteit, het Land zit met de tweede.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s