Oswald Spengler en de Nazi’s

Niet eerder kwam het verzoek om een boek te bespreken lichtelijk absurd op mij over. Het mailtje van Uitgeverij Boom over Oswald Spenglers De ondergang van het Avondland had die zeldzame kwaliteit. De uitgever had alvast een aantal vragen voorbereid voor de recensenten. “Wat zegt het boek ons over de toekomst van de democratie? Op welke manier biedt Spenglers werk ons een zinvol perspectief op de multiculturele samenleving en op de geopolitieke rol van het Westen? Had Spengler gelijk of toch niet?”

Voor wie het werk van Spengler enigszins kent zijn het frappante vragen. Aan de ene kant was Spengler een felle antidemocraat die opriep tot een “caesariaanse” dictatuur, waarin het individu geheel opgaat in “de totaliteit” en daarbij “bevelen ontvangt en gehoorzaamt.”[i] Aan de andere kant entameerde Spengler een sociaaldarwinistische rassenstrijd op wereldschaal. Het Duitse ras zou de “witte volkeren” moeten leiden in de strijd tegen wat Spengler presenteerde als het grootste gevaar: de opkomst van de “gekleurde rassen.”[ii]

Ik antwoordde de uitgeverij dan ook dat het verzoek om Spengler te bespreken als “een zinvol perspectief op de multiculturele samenleving,” een ongewild surrealistische indruk maakte. En ik suggereerde op bescheiden wijze dat de ideeën van Spengler misschien niet zo constructief zijn op dit vlak en dat enige nuances toch wel op zijn plaats zijn.

Niet veel later mocht ik de lijvige proefdruk van De ondergang van het Avondland ontvangen, resultaat van indrukwekkend vertaalwerk van Mark Wildschut. De voorlaatste pagina (p. 1145) biedt ons een destillaat van Spenglers door en door Nietzscheaanse en sociaaldarwinistische wereldbeeld:

Het gaat in de geschiedenis om het leven en altijd alleen om het leven, het ras, de triomf van de wil tot macht, en niet om de overwinning van waarheden, uitvindingen of geld. ‘De wereldgeschiedenis is het wereldgericht’: zij heeft altijd het sterkere, vollere, zelfverzekerde leven gelijk gegeven, gelijk in de zin van het recht op bestaan, om het even of het voor het wakker-zijn gelijk had, en ze heeft altijd de waarheid en gerechtigheid en gerechtigheid opgeofferd aan de macht, aan het ras, en heeft de mensen en volken voor wie waarheid belangrijker was dan daden en gerechtigheid essentiëler dan macht tot de dood veroordeeld.

Bladeren we twee pagina’s verder, dan komen we uit bij de flaptekst. Daar promoot de uitgever het boek met de volgende wervende tekst: “De klassieker uit het interbellum blijkt juist in onze tijd weer verrassend relevant. Vele denkers, schrijvers en kunstenaars lieten zich door De ondergang van het Avondland inspireren. De eerste Nederlandse vertaling laat een groter publiek kennismaken met de gelaagde wereld van Spengler!”

Het is toch lastig om een dergelijke flaptekst te lezen zonder te denken: weet je wie zich ook door Spengler heeft laten inspireren? Vooral het uitroepteken trof me. Een dergelijke flaptekst zou je niet zo snel schrijven bij Mein Kampf van Adolf Hitler. Toch is het verschil tussen het wereldbeeld van Spengler en Hitler niet zo groot als menigeen zou denken. Spengler stemde op Hitler in de presidentsverkiezingen van 1932. Hij verwelkomde de machtsgreep van de nazi’s in 1933 als volgt in zijn boek Jahre der Entscheidung (1933):

De nationale revolutie van 1933 was iets geweldigs en zal het in de ogen van de toekomst blijven, vanwege de elementaire, bovenpersoonlijke kracht en de spirituele discipline waarmee deze voltrokken werd. […] De Duitse dromers verhieven zich met een imponerende rust, om een pad naar de toekomst te openen.[iii]

Het voert te ver om Spenglers gedachtegoed gelijk te stellen met het nazisme, daarvoor waren er teveel onderlinge meningsverschillen. Het gangbare perspectief onder historici is dat Spengler een belangrijk inspirator is geweest van het nationaalsocialisme. Zo vinden we in De ondergang van het Avondland begrippen die een vooraanstaande rol zouden gaan spelen in de ideologie van de nazi’s. De term “het Derde Rijk” komt in het boek voor (p. 469), beschreven door Spengler als “het Germaanse ideaal.” En er is de rechtse toe-eigening van het begrip socialisme als een conservatieve, hiërarchische en imperialistische orde, een visie die centraal zou komen te staan in het nationaalsocialisme:

Het ethische socialisme is – ondanks de oppervlakkige illusies die men zich erover maakt – geen systeem van compassie, van humaniteit, van vrede en zorg voor elkaar, maar van de wil tot macht. Al het andere is zelfbedrog. Het doel is door en door imperialistisch: welvaart, maar in expansieve zin, niet van de zieken, maar van de daadkrachtigen, die men de vrijheid wil geven hun invloed uit te breiden, en wel met geweld, niet geremd door de weerstanden van bezit, afkomst en traditie. (p. 467-468)

Het is niet vergezocht om hier de Lebensraum-gedachte in te lezen, een idee dat breed gedragen werd onder Duitse elites in die tijd. De ondergang van het Avondland staat vol met vergelijkbare passages:

Een volk is alleen daadwerkelijk een volk in relatie tot andere volken. Maar dat is precies de reden waarom de natuurlijke verhouding er een is van oorlog. Dat is een feit dat door waarheden niet te veranderen is. De oorlog is de oerpolitiek van al het levende, en wel zozeer dat strijd en leven in diepste zin één zijn en dat het zijn uitdooft als men nergens voor wil vechten. (p. 1068)

Een nog explicietere politieke tekst is het in 1919 verschenen Preussentum und Sozialismus, dat Spengler schreef op basis van de aantekeningen voor het tweede deel van De ondergang van het Avondland. In dit boek roept Spengler op tot een wereldwijde rassenoorlog:

De enige echte Internationale is enkel mogelijk door de overwinning van het idee van een enkel ras over alle anderen, en niet door het vermengen van alle meningen in een kleurloze massa. […] Er is maar een manier om het eeuwige conflict te beslechten, en dat is de dood. De dood van individuen, van volkeren, van culturen. […] De enige echte Internationale is imperialisme, de overheersing van de faustische beschaving, van de hele wereld, door een enkel vormend principe, niet door compromissen en concessies, maar door verovering en vernietiging.[iv]

Opvallend is dat Spengler door velen in Nederland blijkbaar niet zo wordt gelezen. En dat een uitgeverij als Boom het werk van Spengler niet op die wijze presenteert.

In een recent tweegesprek in Vrij Nederland lieten Tommy Wieringa en Thierry Baudet weten sterk geïnspireerd te zijn door Spengler. Het is verrassend dat zij een denker die naar huidige maatstaven toch iets weg heeft van een genocidale psychopaat blijkbaar als aanbevelenswaardig zien. In een bespreking van het boek in De Groene Amsterdammer stelde historicus Chris van der Heijden dat het “aanstellerig” is om in Spengler een “voorafspiegeling van het hitlerisme” te zien. En dat het een simplisme is om te stellen dat de man een voorloper van het fascisme zou zijn geweest. Voor een historicus is dat een nogal curieuze stelling.

Sterker nog, de relevante vraag is niet zozeer of Spengler beschreven kan worden als voorloper of voorafschaduwing van het nationaalsocialisme. Hij leefde en schreef tenslotte nog ten tijde van de opkomst van de nazi’s. Zijn relatie tot het nazisme is veel directer. Spengler ontmoette Hitler persoonlijk en heeft met hem van gedachten gewisseld. De relevante vraag is eerder of Spengler een actieve bondgenoot was van de nazi’s.

De Konservative Revolution

Spenglers werk moet in de context gezien worden van de bredere conservatieve beweging waar hij deel van uitmaakte, de Konservative Revolution. Onder deze stroming van radicale conservatieven vinden we intellectuelen als Arthur Moeller van den Bruck, Edgar Jung, Ernst Jünger, Carl Schmitt en Hermann Rauschning. Deze aristocratische en/of monarchistische stroming, verbonden met de Pruisische Junker klasse, had zich gecommitteerd aan een broze alliantie met de nazi’s in de Weimar periode, beschreven door historici als een “fataal verstandshuwelijk.”[v]

Zoals de radicale conservatief Hermann Rauschning zelf stelde in zijn beroemde boek Die Revolution des Nihilismus (1937), geloofden de leden van de Konservative Revolution dat zij de nazibeweging voor hun eigen doeleinden konden gebruiken.[vi] Het “duivelspact” zoals Rauschning het noemde, hield stand tot de machtsgreep van 1933, toen de nazi’s hun voormalige bondgenoten niet meer nodig bleken te hebben.

De nazi-ideologie was voor een belangrijk deel een vulgarisatie van het werk van de intellectuelen verbonden aan de Konservative Revolution. De notie van het Derde Rijk, ook gepopulariseerd door Spengler, werd uitgewerkt in Das Dritte Reich (1923) van Arthur Moeller van den Bruck. Hij gebruikte de term om een conservatief “socialistisch” ideaal te propageren, dat alle klassen zou kunnen verenigen onder een autoritair militaristisch regime. Samen met Spengler’s Preussentum and Sozialismus vormde het een van de bouwstenen van de doctrine van het nationaalsocialisme.

Zoals Von Klemperer stelt in zijn klassieke ideeëngeschiedenis van de Konservative Revolution, werd de nazibeweging ideologisch gevoed door deze conservatieve intelligentsia:

Beide bewegingen waren contrarevolutionaire actoren in de (Weimar) Republiek en appelleerden aan de laagste instincten van de bevolking. De hatelijke beschuldigingen van de conservatieven tegen de politieke partijen, tegen het Weimar ‘systeem’ of de westerse machten, hun gebruik (met welke mentale reserveringen dan ook) van het nieuwe glitterende vocabulaire — woorden als mythe, totaliteit, ras — was koren op de propagandamolen van de nazi’s. Daarom was de aanvankelijke verwerping van de Republiek door conservatieve krachten zo fataal. Het opende de weg voor de rechtse intelligentsia om voor het karretje te worden gespannen van de nazi-revolutie.[vii]

Na de machtsgreep van de nazi’s werden de radicale conservatieven kritischer op het nationaalsocialisme. Terwijl de nazi’s op hun beurt overgingen tot het vervolgen van de Konservative Revolution. Sommige leden van de beweging, zoals Rauschning, vluchten het land uit en ontwikkelden zich tot prominente critici van het nazisme. Anderen, zoals Jung, werden door de nazi’s vermoord. Weer anderen, zoals Spengler, verkozen een Innere Emigration. Sommigen, tot slot, gingen op in de NSDAP.

De prominente rol van Spengler en van de Konservative Revolution is lang onderbelicht gebleven in de dominante beeldvorming over het nationaalsocialisme. Rauschning beschreef het nazisme in zijn invloedrijke boek uit 1937 als een “doctrineloze revolutie” zonder serieuze ideeën, enkel gericht op dynamiek en daadkracht. Daar had hij een belangrijke reden voor: zo hield hij de sleutelrol van het gedachtegoed van de Konservative Revolution buiten zicht. Dit beeld van het doctrineloze fascisme vinden we vandaag de dag nog immer terug in toonaangevende studies, zoals Robert Paxtons The Anatomy of Fascism.[viii]

Het werk van Rauschning werd in Nederland vertaald en uitgedragen door Menno ter Braak. Het heeft onze visie op het nationaalsocialisme significant beïnvloed. Misschien is dat de verklaring voor de curieuze en soms weinig kritische omgang met het gedachtegoed van Spengler dat we vandaag de dag in Nederland zien.

 

 

 

[i] “Der deutsche, genauer preußische Instinkt war: die Macht gehört dem Ganzen. Der einzelne dient ihm. Das Ganze ist souverän. Der König ist nur der erste Diener seines Staates (Friedrich der Große). Jeder erhält seinen Platz. Es wird befohlen und gehorcht. Dies ist, seit dem 18. Jahrhundert, autoritativer Sozialismus, dem Wesen nach illiberal und antidemokratisch, soweit es sich um englischen Liberalismus und französische Demokratie handelt.” Oswald Spengler, Preussentum und Sozialismus (Munich: Oskar Beck, 1920), 15.

[ii] “Es wird Zeit, daß die »weiße« Welt und Deutschland zuerst sich auf solche Tatsachen besinnen. Denn hinter den Weltkriegen und der noch unbeendeten proletarischen Weltrevolution taucht die großte aller Gefahren auf, die farbige, und alles, was in den weißen Volkern noch an »Rasse« vorhanden ist, wird notig sein, um ihr zu begegnen.” Oswald Spengler, Jahre der Entscheidung, (Munich: Oskar Beck, 1933), 111.

[iii] “Der nationale Umsturz von 1933 war etwas Gewaltiges und wird es in den Augen der Zukunft bleiben, durch die elementare, überpersönliche Wucht, mit der er sich vollzog, und durch die seelische Disziplin, mit der er vollzogen wurde. Das war preußisch durch und durch, wie der Aufbruch von 1914, der in einem Augenblick die Seelen verwandelte. Die deutschen Träumer erhoben sich, ruhig, mit imponierender Selbstverständlichkeit, und öffneten der Zukunft einen Weg.” Spengler, Jahre der Entscheidung, 5.

[iv] “Eine echte Internationale ist nur durch den Sieg der Idee einer Rasse über alle andern möglich und nicht durch die Auflösung aller Meinungen in eine farblose Masse. […] Es gibt nur ein Ende des ewigen Kämpfens, den Tod. Den Tod des einzelnen, den Völkertod, den Tod einer Kultur. […] Die echte Internationale ist Imperialismus, Beherrschung der faustischen Zivilisation, also der ganzen Erde, durch ein einziges gestaltendes Prinzip, nicht durch Ausgleich und Zugeständnis, sondern durch Sieg und Vernichtung.” Spengler, Preussentum und Sozialismus, 84.

[v]. Klemens von Klemperer, Germany’s New Conservatism: Its History and Dilemma in the Twentieth Century (Princeton: Princeton University Press, 1957), xv.

[vi]. Hermann Rauschning, The Revolution of Nihilism: Warning to the West, vertaling Ernest W. Dickes (New York: Alliance Book Corporation, 1939), 29–30.

[vii]. Klemperer, Germany’s New Conservatism, 197.

[viii] Gelukkig wordt dit perspectief door steeds meer historici betwist, zie voor een goed Nederlands overzicht: Robin te Slaa, Wat is Fascisme? Oorsprong en ideologie, (Amsterdam: Boom, 2017).

Tagged with: