Home

Ik stuitte gisteren op de motivatiebrief van Dijsselbloem voor het verlengen van zijn termijn als voorzitter van de Eurogroep, een besluit dat net een maandje uitgesteld is vanwege de problematiek rond Griekenland. Gezien alle heisa daaromheen is het misschien niet zo vreemd dat er nagenoeg geen discussie is over deze brief, die bij mij – voor wat het waard is – de haren overeind doet staan. Het is een zeer uitgesproken politiek gekleurd programma, gericht op ‘competitiveness’, ofwel de typische neoliberale hervormingen op het gebied van onder meer arbeidsmarkt en pensioenen. Voor de duidelijkheid, een programma gericht op economisch herstel kan zich bijvoorbeeld ook richten op vraagstimulering, een optie die door een meerderheid van economen wordt voorgestaan. Dit is een politieke keuze, die in een functionerende democratie aan kiezers wordt voorgelegd.

Het roept bij mij allereerst een technische vraag op: welk democratisch mandaat heeft Dijsselbloem voor dit programma? Hij is daar als minister van Financiën van een regering verkozen met de belofte minder nationale soevereiniteit aan Brussel over te dragen. En toch bepleit hij hier verregaande economische convergentie en verdere onderwerping van de democratie aan de Brusselse technocratie. Het genoemde benchmarken is natuurlijk zo’n verdere inperking van nationale democratische zeggenschap, vergezeld van onheilspellende technobabbel als “concrete timelines”, “monitor progress” en “structural indicators”. Maar het summum is toch wel de ambitie voor een Europees raamwerk van “national competitiveness councils”, door Brussel aangestuurd planbureaus die de nationale politiek mogen gaan vertellen wat we wel en niet mogen. Een flinke stap richting de verdere inperking van de democratie:

During the last couple of years, we have started discussing key economic reforms in the Eurogroup. These debates have increased public awareness and even led to common principles and policy action amongst member states. I propose to take this kind of economic policy coordination a step forward. In order to be as competitive as possible, we need to start pushing each other to a higher level of competitiveness:

1) Eurozone member states should agree on a limited set of common reforms crucial for the smooth functioning of EMU. Issues, such as labor and product market flexibility, pension reforms, modernizing social security or coordinating tax policy need to be on our agenda.
2) As a next step, a joint ambition level by setting benchmarks to best practices and concrete timelines would contributes to achieve real economic convergence.
3) On the basis of Commission reports, the Eurogroup would monitor progress towards this joint ambition.
4) In the same manner, with a view to strengthening our joint and national efforts on fiscal issues, we should explore ways of benchmarking structural indicators in our budgets (such as the share of expenditures on education, or other such categories).
5) A framework of national competitiveness councils should be established, to assess the fiscal and macroeconomic implications of planned and implemented structural reforms, in resemblance of the network of national fiscal councils.
6) The European semester should be streamlined. Long lists of annual country-specific recommendations, could be replaced by a limited list of reforms for a multi-year period. National ownership, including the democratic support from our parliaments, is crucial in this respect. Our commitments should be monitored by the Commission and discussed by the Eurogroup.

2 thoughts on “De methode-Dijssel­bloem: inperking van de demo­cratie

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s