Home
Uit het archief. Geschreven voor De Groene, 1 april 2009.

Bankiers en bonussen roepen steeds meer de volkswoede op. Kan die boosheid tot iets goed leiden?

Er broeit iets op straat. Referenties aan koppensnellende, hooivork zwaaiende menigtes vullen het journalistieke proza van verbeeldingsrijke krantenkolommen. Het is niet eens zo vergezocht. Demonstranten op Wall Street manifesteren met borden waarop in dikke letters ‘Jump! Jump!’ is gekalkt. Zij staan niet alleen. Het gevoel van onvrede en animositeit neemt zulke vormen aan dat zelfs Amerikaanse senatoren – normaal gesproken een gezapige en gefortuneerde klasse politici die zich goed geïsoleerd weet van de publieke opinie – geneigd zijn als representant van de volkswoede op te treden. Senator Chuck Grassley stelde voor dat Amerikaanse bankiers het voorbeeld van hun Japanse evenbeeld volgen: diep door het stof gaan, zich nederig verontschuldigen en vervolgens ontslag nemen of zelfmoord plegen.Het onderwerp van discussie, de gefaalde Amerikaanse verzekeringsgigant AIG, reageerde gelaten dat het commentaar ‘niet constructief’ was. Banken raden hun werknemers inmiddels aan om de maatpakken thuis te laten en ‘in burger’ over straat te gaan. Dat is veiliger.

Wie geloofde dat het crisismanagement een nieuwe periode van politieke eensgezindheid zou inluiden, heeft het mis. Een aanzwellend protest richt zich op de bankiers, de bonussen, de bailouts en de politici die te veel de wortel en te weinig de stok gebruiken om de crisis te bestrijden. In de Amerikaanse media wordt inmiddels gesproken van een ‘populistisch oproer’. Een duik in de geschiedenis van het Amerikaanse populisme leert dat het zeker niet de eerste keer is – en ook niet de laatste keer zal zijn – dat in naam van ‘de man op de straat’ tegen bankiers wordt geageerd. Het leert ook dat deze nieuwe maatschappelijke tegenstellingen de deur wijd open zetten voor een duurzame politieke machtsverschuiving.

Volgens Michael Kazin, professor geschiedenis aan de Georgetown University, beleven we door de financiële crisis een moment waarop het populisme in de Verenigde Staten weer helemaal open ligt voor herdefinitie. Hij kan het weten. Kazin is de schrijver van The Populist Persuasion (1994), een standaardwerk over het Amerikaanse populisme, een traditie die volgens Kazin ‘ten goede of ten kwade, te diep is ingebed in de Amerikaanse angsten en verlangens om terzijde te worden geschoven’. In zijn boek laat hij zien dat het in belangrijke mate het populisme is geweest dat hegemoniale machtsverschuivingen in de Amerikaanse politiek heeft bewerkstelligd.

Naamgever het populisme is de legendarische Amerikaanse People’s Party die aan het einde van negentiende eeuw in het politieke landschap verscheen. Een onstabiel amalgaam van zuidelijke boerenbewegingen, evangelisten en streng-christelijken, van prohibitionisten, socialisten en de kleinstedelijke (blanke) arbeiders. De People’s Party appelleerde aan ‘the plain people’, ‘the average Joe’, en verzette zich tegen het monopoliekapitaal, de steenrijke oligarchen die zowel Washington als Wall Street in hun zak hadden. De belangrijkste steen des aanstoots was de bankierselite, die zilver devalueerde om zo de waarde van goud op te krikken. Arme boeren zagen de waarde van hun schulden alleen maar toenemen, arbeiders kregen steeds moeilijker brood op de plank.

In 1896 werd de politieke agenda van de People’s Party opgenomen door de Democratische kandidaat William Jennings Bryan, die, geloof het of niet, links populisme combineerde met een fundamentalistische christelijke agenda. Afkomstig uit Kansas, wist Bryan vooral de stemmen van het rurale zuiden te trekken. Zijn tegenstrever, Mc Kinley van de Grand Old Party (de Republikeinse Partij), representeerde de gevestigde elites aan de noordoost- en westkust. McKinley won de verkiezingen, maar de populistische traditie van de People’s Party zou later haar revanche beleven. Ze verschafte de politieke ammunitie voor de populistische linkse politiek die na de crisis in de jaren dertig de New Deal wist te bewerkstelligen. Het was namelijk dankzij het linkse populisme dat Roosevelt de tegenstand kon overwinnen van het noordoostelijke establishment: Wall Street, de grote kranten, de Anglicaanse kerk en het Hoog Gerechtshof (dat Roosevelt een dermate controversieel politicus was is een interessant gegeven gezien de veelgemaakte vergelijking met Obama). Toen de New Deal-coalitie eenmaal gevestigd was, zette zij meer dan twee decennia lang de toon in de Amerikaanse politiek.

Na de jaren zestig was alles veranderd. Terugblikkend is het een verbluffende omwenteling. De Republikeinen, bekend als de partij van het grote geld, de plutocratie van de noordoostkust, is met het negentiende-eeuwse populistische repertoire aan de haal gegaan. Hoe kan het dat het populisme een complete slag in de rondte heeft gemaakt? Hoe kan het dat de Republikeinen, bij monde van Bush, Palin en McCain, zich nu beroepen op het small-town ‘Real America’, zich afzetten tegen het noordoostelijke establishment en ‘Joe the Plumber’ zien als zinnebeeld van hun goedgeaarde, volkse karakter?

Een begin van een antwoord kunnen we vinden bij Kevin Phillips, Republikein en campagnestrateeg van Nixon tijdens de verkiezingen van 1968. Hij wordt door velen gezien als het brein achter de ‘zuidelijke strategie’, die de Republikeinse partij na de oorlog weer terug in het zadel heeft gebracht. Hij constateerde dat wanneer een partij zich overtuigend neerzet aan de kant van de hardwerkende massa – de culturele mainstream – en zich als zodanig tegenover het noordoostelijke establishment plaatst, de politieke dominantie een generatie lang bijna is gegarandeerd.

Het was diezelfde Phillips die samen met Nixon de daad bij het woord heeft gevoegd. Dat gebeurde via een appèl op de zwijgende meerderheid, de ‘avarage Joe’, die door de Democraten in de jaren zestig steeds meer werd verwaarloosd. Na het succes van de burgerrechtenbeweging werden de Democraten weggezet als een coalitie van politiek correcte blanken, latino’s en zwarten met als enige bindmiddel hun gedeelde subsidieafhankelijkheid. Het volkse ressentiment tegen de elite wordt sindsdien succesvol ingezet door de Republikeinen, die de Democraten te pas en te onpas afdoen als de multiculturele noordoostelijke elite.

Een en ander wordt met passie uiteengezet in het boek What’s the Matter with Kansas (2004) van Thomas Frank. Zelf afkomstig uit Kansas, geboortestad van de eerder genoemde linkse populist William Jennings Bryan, vraagt hij zich af hoe het komt dat honderdduizenden Amerikanen, zeg maar de blanke arbeidersklasse, tegen hun eigen directe economische belangen in stemmen. Het antwoord is cultuur. Via de ‘Culture Wars’ – een waardeconflict tussen de multiculturele, seculiere Democraten en de blanke, christelijke Republikeinen – hebben de Republikeinen een manier gevonden om het over sociale klasse te hebben zonder openlijk over klasse te spreken. Het is deze culturele klassenoorlog die de Republikeinen sinds Nixon de overhand heeft gegeven.

De Democratische Partij heeft twee fouten gemaakt, volgens Thomas Frank. Eén: zij heeft zich niet meer opgeworpen als de vertegenwoordiger van de kleine man, de hardwerkende Amerikaan, maar haar linkse populisme ingeruild voor het idee van een brede coalitie van studenten, feministen en etnische minderheden. Een hypothetische meerderheid die gebouwd is op allerlei statistische modellen, maar waarmee de partij haar basis heeft verloren, haar legitimiteit om namens ‘het volk’ te spreken. En twee: zij is erin meegegaan om cultuur tot centraal punt van het politieke debat te verheffen, terwijl zij op economisch gebied geen structureel ander beleid meer voorstond dan de Republikeinen.

En nu? Als gevolg van de kredietcrisis en de komeetachtige verschijning van Barack Obama ligt de situatie helemaal open. De belangrijkste vraag is of het nieuwe populisme naar links dan wel naar rechts wordt gekanaliseerd. Op internet zijn oproepen te lezen waarin Obama wordt aangeraden gebruik te maken van de mogelijkheid die zich aandient om eenzelfde duurzame machtsverschuiving in de Amerikaanse politiek in te zetten. Obama moet zich harder afzetten tegen Wall Street en inzetten op polarisatie in plaats van de bipartisan lijn die hij tot nu toe gevolgd heeft. Dan pas, zie Roosevelt, openen zich mogelijkheden voor een nieuwe economische politiek. Maar een herlezing van de geschiedenis van Amerikaans populisme is niet alleen nuttig voor Amerikanen die geen derde generatie Bush in het Witte Huis willen hebben. Het is ook zinvol voor Nederlanders die met het thema populisme worstelen. De Amerikaanse geschiedenis wijst uit dat populisme ook een emancipatoir karakter kan hebben, en dat zelfs een belangrijke en noodzakelijke breuk, zoals de opkomst van de New Deal-politiek na de crisis in de jaren dertig, niet zonder populisme tot stand kan komen.

Natuurlijk zijn er parallellen tussen het Amerikaanse en het Nederlandse populisme. Zijn de Amerikanen geobsedeerd door het idee van het noordoostelijke establishment, in Nederland is het de Haagse elite, de grachtengordelelite of kortweg de multiculturele elite. Op dezelfde wijze als in de VS worden in Nederland etnische minderheden gebruikt om een kloof te creëren tussen ‘jan met de pet’ en het establishment. Cultureel stemgedrag is ook in Nederland (en in de rest van Europa) al langere tijd in opkomst. Dezelfde fouten die in de VS zijn gemaakt, worden nog eens dunnetjes over gedaan in Nederland, met name door de PvdA.

De belangrijkste illustratie hiervan is misschien een episode in de laatste campagne van Wouter Bos, zo doordringend nuchter gefilmd in de Wouter Tapes. Bos probeert een antwoord te vinden op de vraag waarom hij voor het premierschap wil gaan. Eerst volgt stilte. Dan een frons. Vervolgens stelt Bos dat het de beelden waren van de begrafenis van Fortuyn die het hem deden. Hij zegt letterlijk: het waren tachtig procent onze mensen. Maar al voert hij deze afgedwaalde schapen op als de reden voor zijn persoonlijke kandidatuur, dat verandert niets aan zijn keuze om de PvdA overwegend te profileren als partij van de middenklasse. Alleen op het gebied van integratie – met de harde toon van de nieuwe integratienota – probeert de PvdA Wilders de wind uit de zeilen te nemen door zijn populistische retoriek over te nemen, waarmee ze een vergelijkbare fout maken als de Democraten in de Culture Wars: polariseren op cultuur, niet op economie.

Net als in de VS en het Verenigd Koninkrijk zijn het in Nederland de bonussen die een symbolische betekenis hebben gekregen in de crisis. En net als in Amerika opereert de politiek als een verlicht crisismanagement dat probeert boven de partijen uit te stijgen. Ook hier klinkt de roep van het populisme. De geschiedenis leert ons dat het aangewend kan worden voor een emancipatoire agenda. In dit geval door niet alleen de bonussen op de korrel te nemen, maar ook het gedachtegoed dat debet is aan de huidige financiële crisis: hetzelfde neoliberale economische denken dat we vinden in het partijprogramma van Wilders. Het is tijd dat links weer met zijn eigen ideologische veren gaat pronken in plaats van met de geblondeerde veren van een ander.

2 thoughts on “In naam van de man op de straat

  1. Nee, wel de partij met tot op heden de meeste macht. Overigens maken de andere linkse partijen veelal dezelfde fouten. Denk aan de SP en het migratievraagstuk bijvoorbeeld.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s