Home

Nederland heeft een morrend volk. Het politieke vertrouwen bevindt zich al tijden op een laag niveau. Sinds het aantreden van het kabinet Rutte/Asscher heeft de onvrede zich nog verder uitgebreid. Een peiling van het onderzoeksbureau TNS NIPO uit september dit jaar, meldt zelfs een historisch dieptepunt. Slechts 13% van de respondenten gaf aan vertrouwen in het huidige kabinet te hebben. Nog niet eerder was het vertrouwen in een zittende regering zo laag, aldus het peilingbureau.

Het huidige politieke moment kenmerkt zich door een bijzondere combinatie van omstandigheden. Er is sprake van een economische crisis, verergerd door een straf bezuinigingsbeleid, waardoor bij velen het inkomen, de hypotheek of sociale voorzieningen onder druk zijn komen te staan. Deze economische problematiek valt samen met een politieke legitimiteitscrisis, af te meten aan de tanende populariteit van de aloude middenpartijen en de toenemende volatiliteit van het stemgedrag. De logische verwachting is dat deze twee factoren samen leidden tot politieke onrust en instabiliteit. De straten, pleinen en parken blijven echter opvallend leeg. Waar in andere Europese landen de bevolking in groten getale de straat opgaat, zien we in Nederland een opmerkelijke afwezigheid van protest en contestatie. Wat kan deze passiviteit verklaren?

Politieke passiviteit wordt al lange tijd als een inherent onderdeel gezien van het Nederlandse politieke systeem. Een klassieke studie uit 1968 van de politicoloog Arend Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, zag het zelfs als een kernvoorwaarde voor het functioneren van het politieke stelsel: “een grote mate van politieke passiviteit van de massa – passiviteit, onverschilligheid, en ook trouw aan en respect voor de leiders in de eigen zuil.” Deze passiviteit werd door Lijphart – en vele van zijn tijdgenoten – als een positieve eigenschap gezien. Het stelde elites in staat om effectief te besturen in een sterk verdeeld land. Nederland was tot in de jaren zestig namelijk een gefragmenteerde samenleving, waar protestanten, katholieken, socialisten en liberalen voornamelijk in eigen kring verkeerden, de zogenaamde zuilen.

Veel is natuurlijk veranderd sinds die tijd. De zuilen zijn grotendeels verdwenen, en daarmee tevens de loyaliteit aan de drie grote partijen (CDA, PvdA, VVD) die het lange tijd voor het zeggen hebben gehad in Nederland. De media zijn een belangrijkere rol gaan spelen, waardoor de bestuurlijke beslotenheid van voorheen gedeeltelijk is verdwenen. De bestuurlijke cultuur die uit de verzuiling is voortgekomen, lijkt echter nog steeds door te werken. Lijphart identificeerde een aantal politieke spelregels die hij als sleutel zag voor politieke elites om het volk passief en het land beheersbaar te houden. Veel van deze spelregels maken nog steeds deel uit van de huidige politiek cultuur, zij het soms in gewijzigde vorm. De belangrijkste daarvan is dat politiek zich zoveel mogelijk moet beperken tot het besturen: politiek moet zakelijk, pragmatisch en resultaat gericht zijn. We zien het nog immer terug in een voorkeur voor een zeer technische benadering van politiek. We hoeven alleen maar te denken aan de vele televisiedebatten waar politici aan de tand worden gevoeld over de details van de financiering van deze of gene beleidsmaatregel. Een retorische traditie zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten ontbreekt geheel in Nederland. Alles wat niet in de nauwe bandbreedte valt van wat pragmatici als acceptabele politiek zien, wordt denigrerend afgedaan als populisme of “politiek voor de bühne” (een veelzeggende uitdrukking: alsof goede politiek geen publiek, geen toeschouwers kan verdragen).

Onderdeel van deze politieke cultuur, zo stelde Lijphart, is dat de belangrijkste besluiten zoveel mogelijk achter gesloten deuren genomen worden, buiten het bredere publiek om. Dit is de welbekende achterkamertjespolitiek, die telkens weer naar voren komt bij formatie- en crisismomenten. Partijen zijn er in Nederland ook niet op gericht de eigen achterban te mobiliseren; het omgekeerde is eerder het geval. In de toeloop naar het Sociaal Akkoord was bijvoorbeeld in de kranten te lezen dat het een van de doelstellingen van het overleg was, om te voorkomen dat mensen de staat op zouden gaan. Waar in andere landen demonstraties als een uiting van een gezonde democratie worden gezien, ziet men deze in Nederland juist als een bedreiging daarvan. Verder is het zaak, aldus Lijphart, dat ideologische tegenstellingen zoveel mogelijk gedepolitiseerd en geneutraliseerd worden. Dit aan de ene kant door politiek controversiële kwesties te verbergen achter zeer complexe en technische bestuurstaal. Aan de andere kant door uitbesteding van besluitvorming aan onafhankelijke experts, parlementaire commissies, de rechterlijke macht (juridisering) of de economie (economisering).

Vals dualisme

Meer over de politieke apathie die de Nederlandse bestuurscultuur genereert, vinden we bij Hans Daalder, door velen de grondlegger van de Nederlandse politicologie genoemd. Zijn inaugurele rede van 1964 – Leiding en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek – is een nog steeds ongeëvenaard analyse van de Nederlandse politieke cultuur. Daalder beschrijft een ingesleten regentenmentaliteit, gereproduceerd binnen bepaalde families, of via de conformerende druk die universiteiten en bestuurlijke departementen op nieuwkomers uitoefenen. Het gefragmenteerde karakter van de verschillende 20e-eeuwse emancipatiebewegingen, (socialisten, katholieken, kleine luyden) heeft ertoe geleid dat deze democratiseringsbewegingen eerder deel zijn gaan uitmaken van de bestaande politieke cultuur, dan er daadwerkelijk oppositie tegen te voeren. Dit heeft geleid tot een bijzondere vorm van dualisme. De verschillende emancipatiebewegingen richtten zich in het parlement op getuigenispolitiek (het verkondigen van de waarden van de eigen achterban, zonder daadwerkelijk over te gaan tot effectieve politieke organisatie om deze waarden te realiseren), en namen genoegen met een sterk gereduceerde invloed op het regeringsbeleid. Het idee van de regering als een neutraal gegeven, boven alle partijen verheven, bleef daardoor in zwang. Dit ten voordele van “quasi neutralistische stromingen” en wat Daalder de “geheel kleurloze middenstof” noemt, “nuances op het politieke spectrum die de traditionele regenten en vele nieuwe bureaucraten exacter pasten dan de nieuwe bevolkingsgroepen, die tot politieke bewustheid kwamen”.

Een vergelijkbare vorm van dualisme zien we in het huidige moment, waarbij de wetenschappelijke bureaus van bijvoorbeeld GroenLinks of de PvdA een getuigende positie innemen, terwijl de partijleiding tot de “quasi neutralistische stromingen” behoort (Derde Weg sociaaldemocraten als Bos, Asscher en Samsom, centristische GroenLinksers als Halsema en Sap) of de “geheel kleurloze middenstof” (Dijsselbloem komt in gedachten). De verkiezingscampagnes zijn dan even het moment waarop de partijleiding kleur bekent en de contrasten flink aanzet. Om vervolgens snel weer over te gaan tot de orde van de dag. In het beste geval is er sprake van niet-realiseerbare maar oprechte politieke intenties, die richting geven aan de onderhandelingen in de regeringsformatie. In het slechtste geval is er sprake van een dubbele ideologische boekhouding: er is het partijprogramma, en er is de (onuitgesproken) veel gematigder agenda van de partijtop. De laatste situatie – de campagne van de PvdA in 2012 is een goed voorbeeld – kan nog het beste beschreven worden als een uitgekiende vorm van kiezersbedrog.

Dit valse dualisme en de veelal technische taal waarin de complexe regeerakkoorden worden gegoten, leidt volgens Daalder tot een zeer onoverzichtelijke situatie. Het gevolg is dat de kiezer het spoor bijster raakt en het gevoel heeft dat zijn/haar stem weinig verschil maakt. Zolang het centrisme onder bestuurders samengaat met een economische hoogconjunctuur, zo lang er veel te verdelen valt, resulteert het in de typische Nederlandse houding: “tevreden zijn op een ontevreden manier”. Is dat niet het geval, dan kan “een balorig extremisme paradoxaal de onverwachte keerzij zijn van een centristische satisfactie.” Wie een blik op de peilingen werpt en de positie van de PVV daarin beziet, begrijpt de relevantie van deze waarschuwing.

Het balorig extremisme op rechts is een symptoom van de zwakte van institutioneel links, dat uit verlangen naar politieke respectabiliteit – om deel uit te maken van de bestuurderscultuur – gefaald heeft om publieke krachten te mobiliseren en collectieve actie te genereren. In tegenstelling tot rechts, dat traditioneel weinig te verliezen heeft bij een passief en ontevreden electoraat, heeft links behoefte aan een actieve, gedreven achterban, wil zij niet het onderspit delven.

Voor links is het belangrijk om de Nederlandse bestuurscultuur beter te leren begrijpen – en zich daartoe te leren verhouden – om deze te kunnen veranderen. Voor de SP, een partij die actief buitengesloten wordt door de bestaande, centristische cultuur in politiek en media, geldt dat des te meer.

Geschreven voor Spanning, December 2013.

One thought on “Passieve demo­cratie

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s