Generatiepolitiek

Over de crisis, jongeren en uitblijvende protesten

Het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht eerder dit jaar het vertrouwen in de politiek.

51 procent van de bevolking vertrouwt de regering; 48 procent van de bevolking geeft de regering een voldoende; 61 procent vindt dat ze geen enkele invloed heeft op wat de regering doet; 52 procent vindt dat de regering onvoldoende doet voor mensen zoals zij.

Voor een land als Nederland, waar het vertrouwen in de politiek al decennia rond de vijfenzeventig procent schommelt, is dit een vrij schokkende getallenreeks. Het beeld dat achter de anonieme cijfers opdoemt is een gevoel van ontevredenheid gemengd met apathie. ‘Ze doen maar, daar in Den Haag’, dat gevoel. Velen hebben weinig hoop dat er iets aan de huidige koers veranderd kan worden, ook al zouden ze dat graag willen.

Een peiling van Maurice de Hond van een paar weken geleden geeft een zo mogelijk nog indrukwekkender beeld. Het is een statistisch spektakelstuk, zeker als we in overweging nemen dat de peiling is afgenomen nog voordat Brussel een extra bezuinigingsronde oplegde aan Den Haag.

Gevraagd over de effectiviteit van het bezuinigingsbeleid, denkt 8 procent dat het regeringsbeleid een positief effect heeft gehad. De grootste groep voorstanders vinden we zoals verwacht bij de VVD. Maar wat is groot: slechts 18 procent van de VVD-kiezers gelooft in het huidige bezuinigingsbeleid, bij de PvdA is het 6 procent. Een meerderheid van 64 procent van de bevolking is ervan overtuigd dat de overheid de economie meer moet stimuleren, zelfs als het begrotingstekort daardoor oploopt boven de 3%. Weer zien we dat 56 procent van de VVD-kiezers en 69 procent van de PvdA-kiezers dat vindt.

We hebben te maken met een regering waarvan het gevoerde beleid niet eens de goedkeuring kan wegdragen van de eigen achterban van de regeringspartijen. Een regering die zich geen enkele politieke crisis kan veroorloven, want verkiezingen op het huidige moment zouden immers een kleine revolutie inhouden. Geen wonder dat het woord draagvlak de laatste maanden overal te horen is in de wandelgangen van politiek Den Haag. Dan bedoelt men natuurlijk: draagvlak creëren. Want als het aan een ding ontbreekt in politiek Den Haag, dan is het wel dat: draagvlak.

Dit alles wijst op een grote mate van politieke instabiliteit. Er is een economische crisis. Er is een politieke crisis. In heel Europa zijn de straten met spandoeken gevuld. Maar in Nederland, gek genoeg, is een plus een niet twee, de huidige maatschappelijke onvrede gaat gepaard met de relatieve afwezigheid van protest. Rara hoe kan dat?

Hans Daalder, de grondlegger van de Nederlandse politicologie, stelde ooit dat apathie ofwel lijdelijkheid een logisch uitvloeisel is van hoe ons politieke systeem is ingericht. In Nederland heeft de politieke elite de gewoonte om tegenstellingen te depolitiseren. Conflicten worden ontkent, ten bate van wat hij ‘ten onrechte in het kleed der wetenschap gehulde decreten en compromissen’ noemde. Wie Samsom zonder enige onderbouwing hoort spreken over de gulden middenweg tussen bezuinigen en investeren, de enige eerlijke en echte weg, weet waar hij op doelde. Wie de recente halfbakken bezuinigingsaanbevelingen van het CPB en DNB inziet, weet waar hij op doelde. De dominantie van het centrisme in Nederland (het idee dat de waarheid in het politieke midden ligt) waardoor partijen nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden zijn, leidt tot een afwachtende en passieve bevolking, die het gevoel heeft dat haar stem er niet echt toe doet. De centristische satisfactie, aldus Daalder, heeft als keerzijde een balorig extremisme. Wie de huidige positie van de PVV in de peilingen heeft gezien, weet waar hij op doelde.

Als er in de geschiedenis een groep is geweest die een uitzondering vormde op het gezapige karakter van de Nederlandse politiek, dan is het wel jongeren. De afgelopen weken is dan ook een discussie losgebrand over de afwezigheid van jongerenprotest. De meeste jongeren hebben echter nog nooit een demonstratie meegemaakt, en hebben sowieso weinig mogelijkheden om in contact te komen met een gedachtegoed dat anders is dan de mainstream. Het is vreemd dat men een rebelse houding verwacht van een generatie die opgegroeid is na de val van de muur, na het einde van de ideologieën. Voor wie de politiek slechts uit twee smaken bestaat: paars en rechtspopulisme, centristische satisfactie en balorig extremisme.

Het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau geeft ons tevens een kleine maar fascinerende inkijk wat betreft de opvattingen van jongeren. Zo’n 62 procent van de bevolking maakt zich in toenemende mate druk over de kloof tussen arm en rijk. Dit zijn vooral ouderen. 71% van de 55-plussers vindt dit zorgwekkend. Bij de jongeren van 18-34 is het een minderheid van 46%. Jongeren, dat is het vreemde, zijn in Nederland gemiddeld rechtser dan ouderen. Wat betreft de eigen financiële situatie, maakt 42% van de 55-plussers zich zorgen. In de groep van 18-34 jarigen, die nog nooit een echte crisis heeft meegemaakt, ziet maar 17% het somber in. Dat is vreemd, want daar is alle aanleiding toe.

Op de arbeidsmarkt worden jongeren geconfronteerd met nieuwe onzekerheden. Het UWV meldt dat de meerderheid van de nieuwe banen de afgelopen jaren tijdelijke contracten zijn. Er is een explosieve groei van tijdelijke contracten, de teller staat op 1.6 miljoen. Daarnaast zijn er zo’n 634.000 zelfstandigen, waarvan de helft minder dan het minimum loon verdient. En er zijn zo’n 620.000 uitzendkrachten. De meerderheid hiervan bestaat uit jongeren, en onderzoek laat zien dat er nauwelijks meer sprake is van een doorstroom naar vaste contracten. Flexwerk is voor velen de norm aan het worden, en is in een tijd van oplopende werkloosheid en afnemende sociale voorzieningen veel minder spannend en aantrekkelijk dan ons altijd voorgehouden is.

Op de huizenmarkt is het beeld niet veel rooskleuriger. De sociale huur zit op slot voor jongeren en wordt snel afgebouwd in de huidige plannen. De crisis in de koopmarkt lijkt vooral jongeren te treffen. ‘Vooral jonge tweeverdieners in grote steden hebben te maken met hypotheekschulden die boven de actuele verkoopwaarde van hun huis liggen,’ zo meldt een recent rapport. Driekwart van de één miljoen huishoudens die ‘onder water’ staan, zijn tussen de 25 en 45, hebben een aflossingsvrije tophypotheek op een huis dat zij op de top van de markt, tussen 2004 en 2008, hebben gekocht, en zijn uiterst kwetsbaar, zo concludeerde Ewald Engelen in een column afgelopen week.

Combineer dit met een regering die studenten aanmoedigt om zich diep in de schulden te steken om de studie mogelijk te maken. Een regering die zorg voor ouderen wil gaan afwentelen op de familie. Ik weet niet wie er enthousiast wordt van het vooruitzicht zijn bejaarde ouders te moeten gaan douchen of te wassen met een washandje, zoals de regering dat graag wil, ik niet. Een regering die niets doet aan werkgelegenheid en tegelijkertijd wil korten op uitkeringen. Al met al lijkt het erop dat de kosten en onzekerheden van de crisis voor een belangrijk deel op het bordje van jongeren terecht komen. De onbezorgdheid van jongeren is daarmee een typisch geval van wat in voorbije tijden vals klassenbewustzijn werd genoemd. Om door te gaan in het traditionele marxistische jargon, jongeren zijn een klasse an sich, maar niet een klasse für sich. Velen delen eenzelfde onzekere maatschappelijke positie, maar zijn zich niet bewust dat dit weleens blijvend zo zou kunnen zijn. Ze vertalen dat niet in een politieke opstelling.

Nu is dat niet helemaal waar. Er is wel degelijk een politiek verhaal, dat de bestaande problemen van jongeren wijdt aan de gevestigde belangen van ouderen. Er zou sprake zijn van een generatieconflict. De oplossing voor de huidige crisis, zo gaat het verhaal, is om resoluut het neoliberale beleid voort te zetten en de verworven rechten van ouderen aan te pakken en gelijk te trekken met de positie van jongeren. Het is een slimme manier om de huidige politieke situatie te depolitiseren. Want het kader van de huidige politiek staat in dit soort verhalen niet ter discussie. Binnen dat raamwerk van verdergaande bezuinigingen, marktwerking en flexibilisering worden jongeren uitgenodigd om het gevecht aan te gaan met ouderen over de precieze verdeling van de lasten. Dat er ook een ander beleid mogelijk en wenselijk is, daar horen we niemand over. De hardnekkigheid waarmee sommige opiniemakers proberen om jongeren tegen de oudere generatie uit te spelen, lijkt wel een soort ironische herhaling van de culturele revolutie onder Mao. Toen werden jongeren ook tegen hun ouders gemobiliseerd om een glorieuze toekomst te verwezenlijken. In naam van het neoliberalisme gebeurt nu iets vergelijkbaars met Nederlandse jongeren. Zelfs de komende generaties worden ingezet om de huidige politieke koers te legitimeren. Zo stelde Zijlstra onlangs voor om te gaan korten op zorg, uitkeringen en toeslagen, met een beroep op de generaties na ons. Wij kunnen onze schulden toch niet doorschuiven naar volgende generaties? Economisch gezien klopt er geen bal van, maar het is moreel heel slim gespeeld. Zo wordt een beleid dat de armen verder de armoede in drijft, gepresenteerd als een altruïstische geste richting het nageslacht.

Deze generatiepolitiek is in feite niets anders dan een verdeel een heers tactiek. Het is aan ons, de jongeren die de crisis voor hun kiezen krijgen, om op zoek te gaan naar alternatieven. Omdat we weten dat als wij het niet doen, niemand anders het doet.

Column voorgedragen tijdens een debat met Lieke Smits, Sywert van Lienden en Jesse Frederik, zondag 9 juni 2013.

Tagged with: