Een stille revolutie? Neoliberalisme in de polder

Geschreven voor de FNV-bundel Positie en strategie vakbeweging, geredigeerd door Saskia Boumans en Wim Eshuis.

Inleiding

Het gangbare beeld dat we in Nederland hebben van het neoliberalisme is sterk bepaald door de conflictueuze opkomst van Reagan en Thatcher. Zij wisten begin jaren tachtig een doorbraak te forceren voor hun vrije marktpolitiek te midden van een felle ideeënstrijd met de aanhangers van het keynesianisme, en een zo mogelijk nog fellere confrontatie met de vakbonden.

In Nederland associëren we de omslag van de jaren tachtig bovenal met het Akkoord van Wassenaar. Er was geen verhitte ideeënstrijd met de keynesianen, en zeker geen oorlogsverklaring aan de vakbonden. De hervormingen hadden een technocratisch karakter, en werden door Lubbers aan de man gebracht met de slogan ‘no-nonsense’.

Doordat we geneigd zijn het neoliberalisme met de gepolariseerde Anglo-Amerikaanse ontwikkelingen te associëren, krijgt het begrip al snel iets on-Nederlands. De bekendste boeken over het neoliberalisme, geschreven door Maarten van Rossem en Hans Achterhuis, richten hun blik dan ook voornamelijk op het ‘wildwestkapitalisme’ van de Verenigde Staten.[i] In het verlengde van deze auteurs wordt het neoliberalisme door velen gezien als een fenomeen dat wezensvreemd is aan de Nederlandse traditie van consensus en compromis.

Toch lijkt het erop dat het neoliberalisme ook haar stempel op Nederland heeft gedrukt. Zo is de verzorgingsstaat in Nederland veel sterker teruggedrongen dan in vergelijkbare OESO-landen.[ii] In de jaren tachtig en negentig reduceerde Nederland de sociale uitgaven van 25% naar 20% van het BNP, terwijl dit in landen als Zweden, Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk opvallend stabiel bleef rond de 25%. Nederland heeft in de jaren tachtig en negentig een fundamentele transformatie doorgemaakt van een sociaaldemocratische verzorgingsstaat vergelijkbaar met de Scandinavische landen, naar een liberale verzorgingsstaat, vergelijkbaar met Groot-Brittannië.[iii]

Daarbij is de privatisering van nutsbedrijven in Nederland sneller verlopen dan het Europese gemiddelde. In de publieke sector werd vanaf de jaren negentig opvallend vaak gebruik gemaakt van marktmechanismen zoals aanbestedingen en financiële prikkels. Ook de liberalisering van de arbeidsmarkt en de financiële markten was verreikender in Nederland dan in omliggende landen.[iv] In twintig jaar tijd verdubbelde het aandeel van de beroepsbevolking met tijdelijke contracten: in 1983 had 94% van de werkende beroepsbevolking een vast contract en 6% tijdelijk, in 2002 was dit al 86% en 14%.Het deel van de nationale welvaart dat naar de factor arbeid gaat is in de jaren tachtig en negentig significant gedaald.[v]

Het roept de vraag op of deze ingrijpende veranderingen in Nederland niet juist te verklaren zijn door het minder gepolariseerde karakter van de Nederlandse hervormingen. Inderdaad, we hebben in Nederland geen Reagan of Thatcher gehad, geen harde confrontatiepolitiek. Maar een vergelijkbaar beleid van privatisering, deregulering en liberalisering lijkt ook in Nederland te zijn ingevoerd, ditmaal met enig overleg en compromis.

Door wetenschappers is het Nederlandse corporatisme (ofwel: het poldermodel) vaak afgezet tegen het Angelsaksische neoliberalisme, en zelfs als alternatief daarvoor gepresenteerd.[vi] Gezien bovenstaande omvangrijke verschuivingen is het nog maar de vraag of de twee elkaar noodzakelijkerwijs uitsluiten. Is het niet logischer om ervan uit te gaan dat we in Nederland eerder een andere vorm van neoliberalisme hebben ontwikkeld dan de Britten en de Amerikanen? Dat er sprake is van een corporatistisch neoliberalisme, een neoliberaal poldermodel dat soms in strijd en soms ook in samenspel met de vakbonden is ontstaan?

Om die hypothese kracht bij te zetten, zal ik eerst wat dieper ingaan op de betekenis van de term neoliberalisme, om vervolgens kort wat te zeggen over de neoliberale wende in Nederland.

Het neoliberalisme in vogelvlucht

Zoals gesteld wordt het neoliberalisme vaak gelijkgesteld met de politiek van Reagan en Thatcher in de jaren tachtig. Er gaat echter een langere traditie schuil achter het begrip met een veel breder werkterrein dan de VS en het VK. Het neoliberalisme is een term die gezamenlijk gemunt is door een groep intellectuelen ten tijde van het zogenaamde Walter Lippmann Colloquium in Parijs in 1938.[vii] De economische crisis van de jaren dertig en de daaropvolgende opkomst van het keynesianisme betekende een gevoelige slag voor het klassieke liberalisme en met name het idee van laisser faire. Deze ‘neoliberalen’ wilden de vrije markt verdedigen tegen keynesianisme, democratisch socialisme en communisme, door hen gezien als een continuüm.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bemoeilijkte echter het opzetten van een dergelijke organisatie. Vrij direct na de oorlog, in 1947, werd een volgende poging ondernomen. Op het initiatief van Friedrich Hayek en de zakenman Albert Hunold kwamen een kleine veertig deelnemers bijeen in het dorpje Mont Pèlerin, in een pittoresk hotel op de gelijknamige berg aan het meer van Genève. Op deze bijeenkomst werd de Mont Pèlerin Society gesticht, een toonaangevend intellectueel netwerk dat door velen als intellectuele kraamkamer en internationaal zenuwcentrum van het neoliberalisme wordt gezien.

Deze stroming presenteerde zich in de jaren vijftig aan de hand van een reeks van teksten expliciet als ‘de neoliberale beweging’.[viii] ‘Voorbij zijn de dagen dat enkele achterhaalde liberalen eenzaam en bespot hun weg zochten, zonder contact met de jeugd’, zou Hayek schrijven naar aanleiding van de eerste MPS-bijeenkomsten, ‘eindelijk is er persoonlijk contact gelegd tussen de voorstanders van het neoliberalisme’.[ix] Er is ook een bekend artikel uit die tijd van de Amerikaanse econoom Milton Friedman met als titel Het neoliberalisme en zijn vooruitzichten, waar hij ervoor pleit om ‘de doctrine, welke veelal het neoliberalisme wordt genoemd’ ingang te doen vinden als ‘een nieuw geloof’.[x]

Het neoliberalisme is vanaf het vroege begin een verzamelterm waarbinnen drie voorname stromingen kunnen worden onderscheiden: de Oostenrijkse School, de Duitse ordoliberale school, en de Amerikaanse Chicago School. Deze stromingen verschillen van mening wat betreft de mate van overheidsingrijpen. Zo legt het Duitse ordoliberalisme meer nadruk op de noodzaak van een sterke staat om kartels te voorkomen en streefde men ernaar de vakbonden te winnen voor het neoliberale project. De Oostenrijkse School en de Chicago School zijn daarentegen negatiever ten opzichte van de ‘marktverstorende’ rol van overheid en vakbonden in de economie. Deze neoliberale substromingen vonden elkaar echter in een negatieve positionering ten opzichte van laisser faire en klassiek-liberalisme enerzijds en het keynesianisme en centrale planning anderzijds.

De grondthese van het neoliberalisme is dat overheidsingrijpen noodzakelijk is om de bestaansvoorwaarden voor de vrije markt te realiseren. Het is een op het eerste gezicht wat paradoxale gedachte, die terugkomt in het woord ‘marktwerking’. De overheid moet de markt actief aanjagen in plaats van deze op haar beloop te laten, zoals de oude laisser-fairegedachte impliceerde. De markt is maakbaar.

Duizenden onderzoekers, politici, zakenlui en journalisten zouden de jaarlijkse bijeenkomsten van de MPS bijwonen, tot op de dag van vandaag. Vanaf de jaren zestig en zeventig richtten de MPS-leden zich meer en meer op de ontwikkeling van een aantal specifieke subvelden in de economische wetenschap, waaronder monetarisme, public choice, supply-side economics, Austrian economics en de human capital theorie. Directeurs van denktanks als de Amerikaanse Heritage Foundation en het Britse Institute of Economic Affairs (IEA) namen deel, om later de politiek van Reagan en Thatcher mede vorm te geven. MPS-leden als Friedrich Hayek, Milton Friedman, George Stigler, James Buchanan en Gary Becker wonnen in de jaren zeventig en tachtig de Nobel Memorial Prize en braken door in de economische wetenschap.

Wanneer het keynesianisme door de stagflatie van de jaren zeventig in een crisis terecht komt, hebben de neoliberalen hun antwoord klaar. Als Thatcher (in 1979) en Reagan (in 1981) aan de macht komen, werpen zij zich op als pleitbezorgers van de ideeën van Hayek en Friedman. Vervolgens begint in 1982 de schuldencrisis in een reeks van ontwikkelingslanden, waarop het IMF en de Wereldbank internationaal een beleid van marktwerking gaan voorstaan, bekend als de ‘Washington Consensus’. Deze receptuur wordt al snel gezien als het toonbeeld van neoliberaal beleid: begrotingsdiscipline; belastingverlaging; liberalisatie van handel en investeringen; privatisering; en tenslotte deregulering, in het bijzonder in de financiële sector.

Een recente golf van academische publicaties over het neoliberalisme benadrukt echter dat er niet één vrije marktreceptuur is die over de wereld verspreid is vanuit een enkel centraal punt.[xi] Eerder is het zo dat landen hun eigen specifieke historische trajecten van ‘neoliberalisering’ hebben, waarbij er altijd sprake is van mengvormen tussen neoliberale formules en bestaande politieke en sociaaleconomische tradities. Er is geen puur neoliberalisme, het doet zich altijd in hybride vorm voor, afhankelijk van de lokale context. 

Het neoliberalisme in Nederland

De opkomst van het neoliberalisme in Nederland kan grofweg opgedeeld worden in twee fases. Er is een vroege periode die haar hoogtepunt bereikt in het decennium na de Tweede Wereldoorlog. Wat begint als een diffuse oppositie tegen socialisme en Keynesiaanse economische planning onder delen van de Nederlandse politieke en economische elite, ontwikkelt zich in rap tempo tot een beweging die zichzelf expliciet neoliberaal noemt, met vertegenwoordiging in verschillende liberale en christelijke partijen. Liberale tegenstanders van economische planning hadden zich al in 1939 verenigd in het Comité voor Ordeningsvraagstukken. Na de oorlog zou het als een soort neoliberale denktank gaan fungeren, die de teksten van leden van de Mont Pèlerin Society uitbracht in vertaalde samenvattingen.

Leden van dit comité richtten na de oorlog een bredere en ideologisch meer voldragen strijdcomité op: Comité Burgerrecht. Sleutelfiguren binnen de beweging waren grootindustrieel Henri Keus van de Hengelose Elektrische en Mechanische Apparaten Fabriek (HEEMAF), de Delftse hoogleraar staatsrecht A.C. Josephus Jitta en dichter L.M. van Breen. Twee leden van het comité namen zitting in de internationale Mont Pèlerin Society, die in 1950 haar derde bijeenkomst in Bloemendaal belegde, een bijeenkomst die medegefinancierd werd door Burgerrecht.

Binnen de christelijke partijen, in het bijzonder de KVP en de ARP, wisten de neoliberalen invloed te verwerven, wat zich uitte in tweespalt rondom verzorgingsstaatpolitiek. Daarbij werd de VVD gewonnen voor de neoliberale zaak: in een toespraak in 1952 observeerde partijleider P.J. Oud met vreugde, ‘dat er meer en meer waardering is voor het neoliberalisme dat wij voorstaan’.[xii] Uiteindelijk faalde de doorbraak van dit vroege neoliberalisme. In tegenstelling tot West-Duitsland, waar de ordoliberalen aan de macht kwamen onder Ludwig Erhard van het CDU, wisten de Nederlandse neoliberalen de confessionele partijen niet (geheel) voor hun zaak te winnen.

Een tweede fase vangt aan in het midden van de Keynesiaanse stagflatiecrisis in de jaren zeventig. Op dit punt is de term neoliberalisme bijna geheel verdwenen uit het publieke debat, en zijn er weinig neoliberalen te vinden die zich expliciet als zodanig identificeren. De link met het neoliberalisme van de jaren vijftig is de toonaangevende invloed van de economische ideeën die door MPS-leden als Hayek, Friedman, Stigler, Becker en Buchanan zijn geformuleerd. In Nederland beperkt de politieke discussie over deze ideeën zich voornamelijk tot economen en blijven de hervormingen verstoken van een meer publiek en ideologisch discours.

De Nederlandse tegenhanger van de regeringen van Reagan en Thatcher zijn de drie kabinetten Lubbers (1982-1994). Lubbers presenteerde de hervormingen die hij doorvoerde echter met technocratische, depolitiserende slogans als ‘no-nonsense politiek’. In plaats van open confrontatie, besloot het kabinet Lubbers I om de vakbonden en later de sociaaldemocraten te pacificeren – wat leidde tot de loonmatigingsstrategie, ingezet met het Akkoord van Wassenaar in 1982. Alhoewel conservatief-liberale politici en intellectuelen zoals Frits Bolkestein, Karel Groenveld en Andreas Kinneging neoliberale ideeën uitwerkten in publicaties van de denktank van de VVD aan het einde van de jaren tachtig, lag het initiatief eerder bij technocratische beleidselites

De belangrijkste ideoloog achter de hervormingen was de econoom Frans Rutten, secretaris-generaal van Economische Zaken. Rutten had in 1987 een berucht nieuwjaarsartikel geschreven in het economentijdschrift Economische Statistische Berichten – waarin hij de hervormingsagenda van de jaren tachtig samenvatte onder de technocratische noemer van ‘De Nieuwe Zakelijkheid’.

De kern van deze agenda was het terugdringen van de overheid tot haar primaire taken: ‘De rijksoverheid dient zich te concentreren op primaire taken (zoals justitie, onderwijs, wegen, defensie) en dient de minder essentiële taken te beperken (allerlei subsidies en andere interventies in de markteconomie).’ Rutten presenteerde deze agenda als onderdeel van een maatschappijvisie die geïnspireerd was op het werk van Milton Friedman. De overheid zou zich volgens Rutten op lange termijn helemaal niet meer moeten bezighouden met de zogenoemde ‘quasi-publieke goederen (sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs)’, maar via vouchers deze terreinen tot markten omvormen, een bekend stokpaardje van Friedman.[xiii]

Waar de neoliberalen zich in de jaren vijftig actief hadden verzet tegen de oprichting van corporatistische structuren, werd in de jaren tachtig uiteindelijk een andere koers gekozen. In het begin werden de corporatistische overlegstructuren nog grotendeels genegeerd. Zoals in Andrew Gamble’s bekende beschrijving van het Thatcherisme als de Free Economy and the Strong State, nam de neoliberale draai in Nederland de vorm aan van een sterke staat die arbeid disciplineert om de competitiviteit van het bedrijfsleven te herstellen.[xiv]

Uiteindelijk werden de Nederlandse hervormingen echter gekanaliseerd door de overlegstructuren en met de sociale partners geaccordeerd. Vandaar dat het Nederlandse neoliberalisme door sommige onderzoekers beschreven is als een voortzetting van de Nederlandse corporatistische traditie, in plaats van een breuk daarmee.[xv] In de literatuur wordt dan ook wel gesproken over ‘embedded neoliberalism’, ofwel neoliberalisme met flankerend sociaal beleid.[xvi]

Conclusie 

Het neoliberalisme is een gevarieerder fenomeen dan in de publieke beeldvorming veelal wordt aangenomen. Zo is er een omvangrijke continentaal-Europese neoliberale traditie, ook in Nederland, die teruggaat tot de naoorlogse periode. Sommige onderzoekers hebben het neoliberalisme exclusief gedefinieerd aan de hand van vijandelijkheid ten opzichte van vakbonden en het sociaal overleg. Dan is er in Nederland inderdaad geen sprake van neoliberalisme. Maar historisch gezien is dat een weinig overtuigende positie, aangezien er substromingen zijn binnen het neoliberalisme – zoals het Duitse ordoliberalisme – die goed samen blijken te kunnen gaan met vakbonden en corporatisme. Wie de opvallend verreikende omarming van marktwerking in de jaren tachtig en negentig wil begrijpen in Nederland, doet er verstandig aan om deze bredere blik op het neoliberalisme te hanteren.

Gezien het technocratische karakter van de neoliberale wende in Nederland, is het belangrijk voor de vakbonden om veel scherper de ontwikkelingen op het gebied van ideeënvorming rond economisch beleid in de gaten te houden. Door de uitgebreide middelen die vakbonden tot hun beschikking hebben om zelf onderzoekslijnen uit te zetten, is de vakbond een van de weinige organisaties die in staat is om alternatieven uit te werken ten opzichte van het dominante economische beleid. Vaak wordt economisch beleid in Nederland gepresenteerd alsof het niet om politieke keuzes gaat, maar technocratische noodzaak. Dat geldt zeker voor de hervormingen in de jaren tachtig en negentig, waar inmiddels veel kritische literatuur over is verschenen. Het gaat ook op voor de huidige tijd, bijvoorbeeld het bezuinigingsbeleid van Rutte II. Het politiseren van dergelijke sociaaleconomische keuzes, om deze zo tot onderwerp te maken van democratisch debat, is bij uitstek een rol die geknipt is voor de vakbond.

Noten

[i] Achterhuis, Hans, De utopie van de vrije markt, (Rotterdam, 2010); Rossem, Maarten van, Kapitalisme zonder remmen: Opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme, (Amsterdam 2011).

[ii] Green-Pedersen, Christoffer, The politics of justification: Party competition and welfare-state retrenchment in Denmark and the Netherlands from 1982 to 1998, (Amsterdam 2002), 89, 143.

[iii] Touwen, Jeroen, Coordination in transition: The Netherlands and the world economy, 1950-2010, (Leiden 2014), 230-231,

[iv] Engelen, Ewald, Konings, Martijn en Fernandez, Rodrigo, ‘Geographies of Financialization in Disarray: The Dutch Case in Comparative Perspective’, Economic Geography 86, nr. 1 (2010), 53–73.

[v] M. Badir, ‘Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil,’ (Utrecht 2018).

[vi] Hemerijck, A.C., ‘Het leervermogen van de overlegeconomie’, in: F. Hendriks and T. Toonen (red.) Schikken en plooien‬: De stroperige staat bij nader inzien‬, (Assen 1998), 117-134.

[vii] De laatste tijd zijn er veel studies verschenen die de ideeëngeschiedenis van het neoliberalisme in kaart brengen, zie bijvoorbeeld: Peck, Jamie, Constructions of neoliberal reason (Oxford 2010); Mirowski, Philip and Dieter Plehwe (red.), The road from Mont Pèlerin. The making of the neoliberal thought collective, (Cambridge Mass. 2009); Burgin, Angus, The great persuasion: Reinventing free markets since the depression, (Cambridge Mass. 2012); Audier, Serge, Neoliberalisme(s): Une archeologie intellectuelle (Paris 2012).

[viii] Hayek, Friedrich, Studies in philosophy, politics and economics, (Londen, 1967), 195-200.

[ix] Hayek, Friedrich., ‘A rebirth of liberalism’, The Freeman nr. 2, (28 juli, 1952), 729-731.

[x] Friedman, Milton. ‘Het neo-liberalisme en zijn vooruitzichten’, Comité voor Ordeningsvraagstukken (1952), 6.

[xi] Zie de literatuur bij noot 7.

[xii] Oud, Pieter, ‘Socialistische vrijheid is gelijk aan die van het onmondige kind in de hoede van een welmenende vader’, Vrijheid en Democratie (3 Mei 1952).

[xiii] Rutten, Frans, Verval, herstel en groei. Lessen voor het economisch beleid gelet op het leergeld van twintig jaar, (Utrecht 1995), 55.

[xiv] Gamble, Andrew, The free economy and the strong state: The politics of Thatcherism, (Basingstoke 1988).

[xv] Scholten, Ilja (1987) ‘Corporatism and the neo-liberal backlash in the Netherlands’, in: Scholten, Ilja (red.) Political Stability and neo-corporatism: Corporatist integration and societal cleavages in Western Europe, (London 1987), 120-152.

[xvi] Ban, Cornel, Ruling Ideas: How global neoliberalism goes local, (New York 2016).