De terugkeer van Marx

Ter gelegenheid van het 200-jarige jubileum van de geboorte van de Marx, hier het eerste deel van een lezing die ik gaf bij de Radboud Universiteit een tijdje terug.

“Poet! beware lest your poems are made in the spirit that comes from the study of pictures of things – and not from the spirit that comes from the contact with the real things themselves.”

– Walt Whitman

 

Marx is terug. De naam van de bebaarde denker en revolutionair waar lange tijd enkel over gesproken werd op meewarige toon, komt de laatste jaren weer vaker over de lippen. De naam die ik lange tijd enkel kende als de auteur van die versleten en vergeelde pil uit de boekenkast van mijn ouders, heeft nieuwe relevantie verkregen in een tijd van crisis en groeiende ongelijkheid. Niet langer is het begrijpen van Marx enkel een voorwaarde voor het vatten van het verleden. Het is nu de toekomst die aan de hand van Marx gelezen kan worden.

De betekenisvolle titel van het populaire boek van de Franse econoom Thomas Piketty, Kapitaal in de 21e eeuw, benadrukt als geen ander de hedendaagse relevantie van het werk Marx. Echo’s van Marx zijn echter niet enkel in de bekende linkse kringen te horen. De belegger George Soros spreekt openlijk van een klassenoorlog in de Verenigde Staten, en stelt dat zijn klasse – de 1% – aan de winnende hand is. Het Britse bolwerk van het economisch liberalisme, The Economist, schrijft over een historische verschuiving in de machtsverhouding tussen kapitaal en arbeid, terug te zien in de dalende arbeidsinkomenquote. In de Financial Times spreken financieel analisten zich uit over de krimpende macht van arbeid en de groeiende macht van grensoverschrijdend kapitaal, als bedreiging van het hele economische systeem.

Door vooraanstaande economen als Nouriel Roubini wordt de financiële crisis bezien vanuit het idee dat de lonen vanwege de verminderde macht van arbeid, sinds de jaren zeventig achtergebleven zijn bij de productiviteit. Met als consequentie dat enorme hoeveelheden schuld en krediet – in de vorm van creditcards, hypotheken en studentenleningen – in het leven zijn geroepen om de consumptie op peil te houden. Geen van bovenstaande stemmen kan als marxistisch gekwalificeerd worden. Wat echter de geest van Marx oproept in dergelijke analyses, is het idee van een inherent conflictueuze verhouding tussen kapitaal en arbeid en de dreigende aanwezigheid van crisis die daaruit voortvloeit.

In tegenstelling tot de neoklassieke economen die uitgaan van harmonie- en evenwichtsmodellen, stelde Marx dat het kapitalisme intrinsiek geneigd is tot conflict en crisis. Er is in het kapitalisme een intrinsieke tendens tot steeds verdergaande concentratie van kapitaal, tot steeds fellere concurrentie en een steeds grotere inzet van arbeidsbesparende technologieën. Het gevolg is afnemende winsten, vermindering van de macht van arbeid en zich verscherpende sociale tegenstellingen. Dit proces werd door Marx beschreven als de tendens van de dalende winstvoet. Marx zag het als belangrijkste economische wetmatigheid.

Deze tendens kende tevens tegengestelde effecten die een crisis tijdelijk konden voorkomen. Het aanboren van nieuwe markten kan nieuwe winsten genereren. Een uitbreiding van het industriële reserveleger kan de lonen drukken en de winsten verhogen, wat we vandaag de dag voornamelijk kennen als outsourcing naar Azië. Het intensifiëren van exploitatie heeft een vergelijkbaar effect: denk aan het verhogen van de pensioenleeftijd, het verlagen van de lonen, of het verhogen van gewerkte uren onder gelijk loon. Maar uiteindelijk zou volgens Marx de winstvoet onherroepelijk dalen. Het leidde tot de eschatologische conclusie dat het kapitalisme onvermijdelijk ten onder zou gaan aan haar eigen contradicties. Alhoewel het geloof in deze onvermijdelijke neergang aan kracht heeft ingeboet, zien we de grove contouren van deze theorie terugkomen in veel analyses van de huidige crisis.

In de V.S. spreekt men al langer over de terugkeer naar de politieke en economische ongelijkheden van de Gilded Age (1870-1900), genoemd naar het bekende boek van Mark Twain, The Gilded Age, A tale of Today (1873). Gilded – met goud omhuld – staat voor het spreekwoordelijke laagje vernis waarachter sociale ongelijkheden en misstanden schuilgaan. Zo schrijft de econoom Paul Krugman over een New Gilded Age en de Franse econoom Thomas Piketty heeft het op zijn beurt over een terugkeer naar de Belle Epoque (1870-1914), de Europese variant van hetzelfde fenomeen. Het is de tijd waarin vermogen allesbepalend was, de tijd van tycoons en robber barons, zoals vereeuwigd in The Great Gatsby en Citizen Kane, of in meer hedendaagse vorm, The Wolf of Wall Street.

De hervormingspolitiek van keynesianisme, sociaaldemocratie en verzorgingsstaat waren lange tijd belangrijke argumenten die tegen de marxistische analyse van het kapitalisme konden worden ingebracht. Dit keer is het niet zozeer het marxisme dat zich heeft aangepast aan de tijd – alhoewel ook dat her en der zeker gebeurd is – het is bovenal het kapitalisme dat zich weer ontwikkelt in de richting van de 19e-eeuwse  analyses van Marx.

Het tweezijdige karakter van het werk van Marx

Maar wat houdt dat eigenlijk in, de veelgehoorde uitspraak dat Marx terug is, los van de wat vluchtige observatie dat zijn boeken weer goed verkopen? De these van de terugkeer van Marx lijkt te impliceren dat de man langere tijd is weggeweest. Dat is een weinig overtuigende stelling. Marx wordt in brede kringen gezien als een van de grondleggers van de sociale wetenschappen, in het bijzonder de economische geschiedschrijving en de moderne sociologie. De specifieke kwaliteit van grondleggers is dat ze per definitie aanwezig zijn.

De conservatief-liberaal Isaiah Berlin, geen links figuur, schreef al eens dat de invloed van Marx op bovenstaande terreinen zo alomtegenwoordig is geweest, dat deze veelal over het hoofd wordt gezien: “Zijn verrichtingen zijn over het algemeen genegeerd in dezelfde mate waarin zij een vast onderdeel zijn gaan vormen van het beschaafde denken.” Volgens Berlin zijn het niet zozeer de economische theorieën van Marx die zo invloedrijk zijn gebleken, eerder zijn sociologische visie:

“De doctrine die een grotere en blijvender invloed heeft gehad dan welk ander systeem van ideeën, naar voren gebracht in de moderne tijd, is zijn theorie van de evolutie en structuur van de kapitalistische samenleving, waar hij nergens een gedetailleerde beschrijving van heeft gegeven. Namelijk de theorie die stelt dat de belangrijkste vraag die gesteld kan worden met betrekking tot welk fenomeen dan ook, zich richt op de verhouding tot de economische structuur en de daaruit voortvloeiende sociale verhoudingen.”

Een moderne sociologische klassieker als Pierre Bourdieu’s Distinction is zonder twijfel schatplichtig aan het materialisme van Marx.

Wat Marx echter onderscheidt van andere auteurs, is dat zijn gedachtegoed inherent verbonden is aan de doctrine van de socialistische en communistische beweging. Nu was Marx de eerste om zich teweer te stellen tegen het doctrinaire karakter van zijn eigen denken. Hij ontkende op beroemde wijze een marxist te zijn. Zijn werk heeft echter altijd die dubbele lading gehouden: enerzijds een verreikende analyse van het kapitalistische systeem, anderzijds een reeks van stellingnames die een concrete politieke toepassing hadden.

Neem zijn verwerping van reformisme en utopisch socialisme, de nadruk op de onafwendbaarheid van de revolutie, of zijn wetenschappelijk vooruitgangsdenken dat in de 19e eeuw overigens heel gangbaar was. Zo heeft ook de eerder genoemde wet van de tendentieel dalende winstvoet een strategische implicatie, als argument tegen het parlementaire reformisme dat populair was onder delen van de socialistische beweging toentertijd. De hervorming van een systeem dat onvermijdelijk ineen zal storten is natuurlijk een heilloze weg.

Dit tweezijdige karakter gaat terug tot de kern van het denken van Marx: zijn breuk met het idealisme van Hegel (en Kant), meer precies het uitgangspunt dat ideeën de loop van de geschiedenis bepalen. “De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen”, stelde Marx op befaamde wijze in de Stellingen over Feuerbach.

Het verschil met alle andere filosofen is dat bij Marx de praktijk een inherent onderdeel vormt van zijn materialistische filosofie. Het zijn niet ideeën die de werkelijkheid bepalen, maatschappelijk zijn bepaalt bewustzijn. Enkel door de sociale verhoudingen te veranderen is het mogelijk ons denken te veranderen. Het theoretisch werk en de politieke praktijk lopen vanaf het begin noodzakelijkerwijs in elkaar over. Het is zo bezien geen wonder dat de inzichten van Marx onderwerp geworden zijn van bittere doctrinaire conflicten.

We kennen Marx bovenal aan de hand van Het kapitaal (bovenal deel 1, de latere delen zijn door Engels samengesteld uit notities van Marx), uitgegeven in 1867. Op dat moment was Marx al twintig jaar bezig met het schrijven van schetsen voor dit werk. Het boek is een enorm economisch-theoretisch bouwwerk, onderbroken door historische beschrijvingen van de omstandigheden van het proletariaat en haar werkgevers. Door vriend en vijand is het beschouwd als meesterwerk. De eerder genoemde Isaiah Berlin beschreef het als “de meest formidabele, doorwrochte en uitgebreide aanklacht ooit geleverd tegen een gehele sociale orde, tegen haar heersers, haar aanhangers, haar ideologen, haar bewuste en onbewuste helpers, tegen al diegenen wiens leven verbonden is aan haar voortbestaan.”

Het kapitaal fundeerde tevens een doctrine: het verschafte een definitieve intellectuele grondslag voor het socialisme. Het werd het centrale referentiepunt voor het aanvallen of het verdedigen daarvan. Alle daaropvolgende vormen van socialisme definieerden zich afhankelijk van hun houding ten opzichte van dit werk. Verschillende politieke stromingen werden begrepen en geclassificeerd afhankelijk van hun verhouding tot Het kapitaal. Het boek verkreeg zo een symbolische betekenis die ongekend is sinds de oude religieuze teksten. Het is op blinde manier vereerd, en op blinde wijze gehaat, door mensen die er nooit een regel van hebben gelezen; of die het hebben gelezen zonder het soms obscure en lastige taalgebruik te doorgronden.

In naam van Het kapitaal zijn revoluties gemaakt. Contrarevoluties hebben zich gericht op de onderdrukking van haar leer, als een van de meest krachtige wapens van het rode gevaar. Met de Russische Revolutie ontstond bovendien een nieuwe orde die haar principes aan dit werk beweerde te ontlenen. Een heel leger van exegeten en sofisten is bijna een gehele eeuw aan het werk gezet, wiens niet aflatende arbeid het werk van Marx heeft begraven onder een berg van commentaar die de invloed van de tekst zelf ruimschoots te boven is gegaan.

Marx en het reëel bestaande socialisme

Dat leidt noodzakelijkerwijs tot de onvermijdelijke vraag of het ‘reëel bestaande socialisme’ – het Leninisme, Stalinisme, of weer een andere categorie, het Maoïsme – een logische toepassing is van het gedachtegoed van Marx. Het grootste obstakel in het beantwoorden van deze vraag is de onbepaaldheid van het werk van Marx op dit punt. Het kapitaal is voor 99,9% een analyse van het kapitalisme. De term communisme komt in het boek niet voor, de term socialisme valt enkel in twee voetnoten. Ook in het andere werk van Marx blijven de beschrijvingen van het communisme beperkt tot vrij vage formuleringen. Het meest duidelijk is Marx nog in Het communistisch manifest en in zijn latere Kritiek op het programma van Gotha, een kritisch commentaar op het reformisme van de voorloper van de Duitse sociaaldemocratische partij (SDP).

Het communistisch manifest rept van “een maatschappij waarin klassen verdwenen zijn en waarin we in plaats daarvan een vereniging van mensen hebben waarbij ieders vrije ontwikkeling de voorwaarde is voor de vrije ontwikkeling van allen.” In de Kritiek op het programma van Gotha uit 1870 schrijven Marx en Engels over de hoogste fase van de communistische maatschappij waar

“de arbeid niet meer een louter middel is om te leven, maar zelf een eerste levensbehoefte wordt, wanneer samen met de allesomvattende ontplooiing van de individuen de productieve krachten zijn uitgegroeid en alle bronnen van gemeenschappelijke rijkdom zullen overlopen, pas dan zal men de nauwe horizon van het burgerlijke recht geheel te boven kunnen komen en kan de maatschappij op zijn banier schrijven: van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!”

Een gedetailleerde blauwdruk van deze nieuwe samenleving wilde Marx echter niet geven. Hij weigerde op beroemde wijze “recepten te schrijven voor de eethuizen van de toekomst.” De nieuwe maatschappij moest uit de evolutie van de bestaande verhoudingen voortkomen, en kon niet ontworpen of geanticipeerd worden. De overgangsfase naar het communisme is door Marx veel duidelijker beschreven dan het communisme zelf. De belangrijkste reden om het marxisme te verbinden met de totalitaire regimes die in haar naam zijn gesticht, is enerzijds de nadruk in deze overgangsfase op de heilzame rol van revolutionair geweld en anderzijds de centrale rol van de staat.

Enige historische context is belangrijk voor het eerste punt: Marx en Engels schreven in een eeuw van bloedige revoluties tegen autoritaire regimes die vervolgens werden neergeslagen in contrarevoluties die nog vele malen bloediger waren. Vele tienduizenden kwamen om in de revoluties van 1830, 1848 en 1871, waaronder de georganiseerde voorhoede van de vroege arbeidersbeweging. Engels beschreef geweld eens als de verloskundige van elke oude maatschappijvorm die zwanger is van een nieuwe. Geweld was volgens hem het geëigende instrument waarmee sociale bewegingen hun wil konden doordrukken, om zo oude, gefossiliseerde politieke vormen open te breken.

Naast deze nadruk op geweld is er het idee dat de onteigende productiemiddelen gecentraliseerd moeten worden en ondergebracht bij de staat. Zo lezen we in Het communistisch manifest:

“Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij daartoe gebruiken, om aan de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal te ontrukken, alle productiemiddelen in de handen van de staat, van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseren en de massa van de productiekrachten zo snel als mogelijk te vermeerderen. Dit kan aanvankelijk natuurlijk alleen geschieden door middel van despotische inbreuken op het eigendomsrecht en op de burgerlijke productieverhoudingen.”

Het communistisch manifest sluit af met een tiental concrete revolutionaire overgangsmaatregelen: 1) de onteigening van het grondeigendom en aanwending van de grondrente tot staatsuitgaven; 2) zware progressieve belasting; 3) afschaffing van het erfrecht; 4) confiscatie van het eigendom van alle emigranten en rebellen; 5) centralisatie van het krediet in handen van de staat door een nationale bank met staatskapitaal en monopolie; 6) centralisatie van het transportwezen in handen van de staat; 7) vermeerdering van de nationale fabrieken, van de productiemiddelen, ontginning en verbetering van de landerijen naar een gemeenschappelijk plan; 8) gelijke arbeidsplicht voor allen, oprichting van industriële legers, vooral voor de landbouw; 9) vereniging van landbouw- en industriebedrijf, aansturen op de geleidelijke opheffing van het onderscheid tussen stad en land; 10) openbare en kosteloze opvoeding van alle kinderen, afschaffing van de kinderarbeid in fabrieken in zijn huidige vorm, verbinding van de opvoeding met de materiële productie.

Het is een verreikend programma, dat zonder twijfel de revolutionaire geest van 1848 ademt. Het is echter moeilijk om uit Marx een eenzijdige liefde voor de almacht van de staat te destilleren, zoals later veelal is gebeurd. De revolutionaire overgangsfase wordt door Marx weliswaar de dictatuur van het proletariaat genoemd, maar daarmee werd toentertijd een democratische orde bedoeld, waar politieke machthebbers gekozen en tevens teruggeroepen kunnen worden op basis van algemeen kiesrecht, met een meerpartijenstelsel in gedachten.

Bovendien verzette Marx zich juist tegen het onkritische geloof in de staat onder de door Lasalle geleide tak van de Duitse socialistische beweging. In zijn Kritiek op het programma van Gotha stelde Marx dat werkelijke vrijheid juist bestaat uit begrenzing van de vrijheid van de staat:

“De staat ‘vrij’ maken, is zeker niet het doel van de arbeiders die de kortzichtige denkwijze van de ware onderdaan hebben afgeworpen. In het Duitse keizerrijk is de ‘staat’ even ‘vrij’ als in Rusland. De vrijheid berust hierin dat de staat, als orgaan dat boven de maatschappij staat, tot een orgaan wordt gemaakt dat in zijn geheel aan deze maatschappij is ondergeschikt; en ook thans wordt de grotere of kleinere vrijheid van de staatsvormen bepaald door de mate waarin zij de ‘vrijheid van de staat’ begrenzen.”

Het beeld dat Marx en Engels van het communisme schetsen, in al zijn vaagheid, gaat uit van het afsterven van de staat. Vooraanstaande hedendaagse marxisten als David Harvey stellen dan ook dat Marx eerder als voorstander van arbeiderszelfbestuur gezien moet worden dan van autoritair staatssocialisme. Desalniettemin lijkt er een even problematische als tragische spanning te bestaan tussen doel en middelen in het werk van Marx.

Pas onder Lenin is de slogan dictatuur van het proletariaat gelijk komen te staan met een dictatuur in de gebruikelijke, antidemocratische zin van het woord. Lenin stelde dat in de onderontwikkelde context van Rusland de bourgeoisie een blijvende bedreiging vormde en dat hij daarom een autoritair bewind noodzakelijk achtte. In internationale marxistische kringen viel dat niet bijzonder goed. De Poolse marxiste Rosa Luxemburg zou Lenin fel bekritiseren: “Zonder algemene verkiezingen, ongehinderde vrijheid van drukpers en vergadering, zonder een vrije strijd van opinies kwijnt het leven in elke openbare instelling weg, wordt het een schijnleven, waarin alleen de bureaucratie het actieve element vormt.”

In dat beroep op de onderontwikkelde context ligt ook het voornaamste argument tegen een gelijkstelling van het werk van Marx met het “reëel bestaande socialisme”. Marx zag zowel de revolutionaire overgangsfase als het uiteindelijke communisme enkel als mogelijkheid in de meest geavanceerde, welvarende economieën. In onderontwikkelde omstandigheden zouden de oude problemen weer opnieuw de kop opsteken. Het achtergestelde karakter van de Sovjet-blokeconomieën leidde tot de uitvinding van de term “reëel bestaand socialisme”, wat de overduidelijke kloof tussen het ideologische principe en de dagelijkse werkelijkheid moest verklaren.

Wat in theorie een revolutionaire transitiefase naar het communisme zou moeten zijn, werd een bestemming op zich. De term heeft sindsdien een ironische betekenis gekregen, onderwerp van talloze sarcastische Sovjet-grappen: “Weet u van de transitie tussen het reëel bestaande socialisme en het communisme? Die overgang loopt langs de muur van het Kremlin.”

Een open lezing van Marx

Na 1989, na de val van de muur, betekent een terugkeer naar Marx bovenal dat het mogelijk is zijn werk met een frisse blik te bekijken, zonder de ideologische bagage van de Koude Oorlog, zonder zijn denken als doctrine te beschouwen. Marx kan op open wijze herlezen worden, door zijn gedachtegoed te situeren in de historische context waarin hij schreef.

Marx, zo stelt de marxistische filosoof Etienne Balibar in een recente uiteenzetting, is niet de auteur van een onverbiddelijk en coherent systeem. Het is een zoekende en polemiserende denker, gericht op interventies in specifieke tijdsgewrichten; een auteur die een groot aantal onaffe schetsen en voortijdig beëindigde projecten heeft achtergelaten. Een denker die nooit tevreden was met het resultaat van zijn eigen denken en daarin telkens nieuwe revisies aanbracht.

Het is inmiddels bekend dat de postuum gepubliceerde delen van Het kapitaal gebaseerd zijn op zeer schetsmatige studies, en door de redactie van Friedrich Engels een veel stelliger karakter hebben meegekregen dan de teksten oorspronkelijk hadden. Ook weten we dat Marx vanwege nieuw opgedane inzichten in 1880 een fundamentele revisie van het reeds gepubliceerde eerste deel van Het kapitaal noodzakelijk achtte. Een revisie die er vanwege het overlijden van Marx in 1883 nimmer is gekomen. Tenslotte relativeerde Marx verschillende malen het wetenschappelijke, universele, wetmatige karakter van zijn analyses, het zou eerder gaan om “historische schetsen”:

“In the chapter on primitive accumulation, my sole aim is to trace the path by which the capitalist economic order in Western Europe emerged out of the womb of the feudal economic order… But this is too little for my critic. It is absolutely necessary for him to metamorphose my historical sketch of the genesis of capitalism in Western Europe into a historico-philosophical theory of the general course, imposed by fate upon all peoples, whatever the historical circumstances in which they are placed, in order to eventually attain this economic formation which, with a tremendous leap of the productive forces of social labour assures the most integral development of every industrial producer. But I beg his pardon. This does me too much honor and yet puts me to shame at the same time… Thus events strikingly analogous, but occurring in different historical milieux, led to quite disparate results. By studying each of these evolutions separately, and then comparing them, one will easily discover the key to these phenomenon, but it will never be arrived at by employing all purpose formula of a general historico-philosophical theory whose supreme virtue consists in being supra-historical.” (Geciteerd in Balibar p110)

Het denken van Marx wordt vandaag de dag veelal in verschillende periodes opgedeeld waarbij de inhoudelijke verschillen tussen deze periodes worden benadrukt: er is de romantische, humanistische Marx in de periode tot aan 1845, die van De Duitse ideologie en de Stellingen over Feuerbach. Er is de optimistische Marx van het Communistisch Manifest en de tijd van de zogenaamde lente der volkeren: de revoluties van 1848. Er is de teleurgestelde, deterministische Marx uit de contrarevolutionaire tijd na 1848, die in Het kapitaal en het wetenschappelijke socialisme en houvast zocht tegen een triomferend laisser faire kapitalisme.

Er is de anti-reformistische Marx van na de oorlog van 1870 en de gewelddadige onderdrukking van de Parijse Commune (1871), de Marx van de Kritiek op het Gotha programma waarin de koers va de vroege Duitse sociaaldemocratie wordt bekritiseerd. Er is de postume orthodoxe Marx, ontstaan door bewerking van zijn geschriften door Engels en later door de Russische interpretatie, waarbij het werk van Marx tot staatsideologie werd verheven. In combinatie met gegeven dat het denken van Marx een complexe synthese is tussen Duitse filosofie, Frans socialisme en Britse economische theorie, betekent dit dat er sprake is van spanning, zo niet openlijke contradictie, tussen de verschillende wetenschappelijke incarnaties van Marx.

Een productieve benadering van Marx laat zich dan ook het beste vangen onder de bekende dichtregel van Walt Whitman: “Do I contradict myself? Very well, then I contradict myself, I am large, I contain multitudes.

Marx is een anti-utopische utopist, een anti-filosofische filosoof, een anti-doctrinaire doctrinair, een anti-deterministische determinist en een materialistisch idealist. Juist op het snijvlak van deze contradicties vinden we zijn rijkste inzichten.