Over het taboe en de vrije meningsuiting

Wat opmerkingen van mijn hand bij het seminar Free speech, democracy, populism, Universiteit van Tilburg, 4 mei 2018.

1. Vrijheid van meningsuiting is niet absoluut

Laten we beginnen met de vaststelling dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is. Het vrije woord is per definitie ingeperkt. Om te beginnen door juridische normen. Denk aan wetgeving op het gebied van groepsbelediging of haatzaaien, of smaad en laster. Zo is er ook wetgeving op het gebied van seksuele intimidatie of discriminatie op de werkvloer die werkgevers verplicht bepaalde basale normen op het werk te handhaven. Vrijheid van meningsuiting is dus niet per se emancipatoir van karakter. Het vrije woord kan ook de uitdrukking van een machtsrelatie zijn, zoals een werkgever die zijn secretaresse voortdurend seksuele toespelingen maakt. In tegenstelling tot de absolute inperking van de meningsvrijheid is deze relatieve inperking van de vrijheid van meningsuiting niet inherent problematisch en autoritair. Het kan in sommige gevallen mensen juist beschermen tegen de mogelijkheid van machtsmisbruik die in het vrije woord besloten ligt.

Aan de andere kant is het vrije woord op een veel alledaagsere manier beperkt. Namelijk door de dominante normen en waarden die ons gedrag bepalen, door basale codes van fatsoenlijk gedrag. Op politiek gebied zijn er bepaalde ideeën die breed geaccepteerd zijn en andere ideeën die als controversieel en zelfs als gevaarlijk worden gezien. Er is de bekende theorie van het Overton window, een bandbreedte van opinies die in een bepaalde tijd en context als redelijk en acceptabel worden gezien. Die bandbreedte verschuift door de tijd heen. Hoe wij vandaag de dag spreken over culturele verschillen bijvoorbeeld, is anders dan hoe wij dat twintig jaar geleden deden of hoe men in de jaren dertig daarover sprak. Het spreken, zo stelt de Franse filosoof Michel Foucault in L’ordre du discours, is altijd verweven met machtsverhoudingen. De discursieve orde, om Foucaults terminologie te gebruiken, is geen vrije, open en horizontale ruimte. Deze is altijd al gestructureerd en gecontroleerd, bovenal door de beroepsgroepen die een poortwachterfunctie vervullen (politici, journalisten, academici). Het vrije woord is per definitie een relatief begrip.

2. De constructie van het taboe

Veel van het publiek debat over het vrije woord gaat feitelijk over deze laatste, meer alledaagse beperkingen. Denk aan de opiniemakers die op televisie of in de krant hun betoog openen met “je mag het niet zeggen, maar…”. Waarna veelal een verhaal volgt over islam, over immigratie, over de nationale identiteit, over het vrouwelijke ambitieniveau en zo voort. De meest algemeen geaccepteerde manier om iets te zeggen, zo lijkt het soms, is door eerst te stellen dat je het niet mag zeggen. Het gaat dan niet om het feit dat het juridisch verboden zou zijn om bijvoorbeeld te zeggen dat vrouwen minder ambitieus zijn, zoals Thierry Baudet onlangs beweerde. Het gaat om een gevestigde sociale norm.

Het beroep op de vrijheid van meningsuiting wordt hier gebruikt om een controversiële – vaak rechtse – mening naar voren te schuiven en kritiek daarop af te weren. Op internationaal vlak zien we een gelijksoortig rechts beroep op de vrije meningsuiting. Denk bijvoorbeeld aan de Free Speech bijeenkomsten van de alt-right in de Verenigde Staten.

Vrijheid van meningsuiting wordt hier in feite gebruikt om een politiek meningsverschil te framen als een oppositie tussen waarheid en taboe. We verschillen niet van mening over hoe we de islam en de Koran politiek interpreteren, er is een (rechtse) waarheid over de islam en er is een (links) taboe om dat niet te willen benoemen. We verschillen niet van mening over de rol van vrouwen in de samenleving, mannen en vrouwen zijn nu eenmaal van nature anders, alleen mag je dat niet zeggen. Het westen is superieur, maar de cultuurrelativisten en progressieve gutmenschen vinden het onbeleefd als je zegt dat dit niet zo is.

Iets framen als een taboe in plaats van een politiek meningsverschil heeft een aantal voordelen:

  1. Je ontkent de legitimiteit van de positie van je opponent. Die heeft namelijk geen valide punt dat je met logische argumentatie moet bestrijden. Nee, het is een taboe dat het debat in de weg staat en als zodanig verdacht.
  2. Je naturaliseert je eigen positie. De eigen positie wordt voorgesteld als een vanzelfsprekendheid die geen verdere onderbouwing nodig heeft. Het is enkel het taboe dat mensen ervan weerhoudt te zeggen wat met het gezonde verstand vastgesteld kan worden. (We weten allemaal dat…)
  3. Je neemt de rol aan van een moedige vrijdenker. Je presenteert jezelf niet als iemand met een controversiële mening, nee je verkondigt de Waarheid die het politieke correcte establishment niet wil zien.

De bekendste casus is natuurlijk het debat over integratie en de vraag of daar nu sociaal-economische (werk, opleiding) of sociaal-culturele factoren (islam, dorpscultuur van landen van herkomst) doorslaggevend in zijn. De aanhangers van de laatste stelling presenteerden het niet als een debat tussen twee op zich legitieme visies, maar als een heroïsche strijd tegen politiek correcte taboes over integratie.

Een vergelijkbaar narratief zien we bij Thierry Baudets opmerkingen over vrouwen die minder ambitieus zouden zijn. Hij presenteert zijn ideeën niet als een (conservatieve) politieke opinie maar als een vanzelfsprekendheid die niet geuit kan worden door de politiek correcte taboes.

3. Rolverwisseling tussen conservatief en progressief

Een interessante rolverwisseling doet zich hier voor. De conservatieven zijn historisch de partij geweest van het fatsoen en het taboe. De grondlegger van het conservatisme, Edmund Burke, deed op beroemde wijze zijn beklag dat het Franse Verlichtingsdenken deze beschaafde aankleding wegtrok:

“Alle plezante illusies die de macht nobel en de gehoorzaamheid liberaal maakten, die de verschillende levenswijzen met elkaar in onderlinge harmonie brachten, en die via osmose in de politiek de sentimenten introduceerde die ook het private leven mooi en zacht maken, worden ontbonden door dit nieuwe imperium van licht en rede. Alle beschaafde omkledingen van het leven worden bruut weggetrokken. Alle ideeën afkomstig uit de garderobe van de morele verbeelding, die het hart tot zich neemt en het verstand als noodzakelijk ziet om de defecten van onze naakte, trillende natuur te bedekken en haar in waardigheid te verheffen worden kapot gemaakt als een ridicule, absurde, en verouderde mode.”

De progressieven waren traditioneel de partij van transgressie, van het overschrijden van taboes en het breken met fatsoensregels. We zien nu internationaal een trend waarbij juist rechtse stromingen zich opstellen als de rebellen die de bestaande fatsoensregels en taboes willen doorbreken.

In Nederland heeft dit fascinerende vormen aangenomen. De progressieve normen en waarden worden afgeschilderd als een religieuze moraal: de linkse kerk. Het ontsnappen aan deze ‘politiek correcte’ moraal van links wordt impliciet gepresenteerd als een herhaling van de ontkerkelijking en seksuele revolutie uit de jaren zestig en zeventig. Waar toen het seksuele taboe van de kerk werd doorbroken, is het nu het politieke taboe van de linkse kerk waar de bevolking van geëmancipeerd moet worden. Felle kritiek op de islam wordt op vergelijkbare wijze gepresenteerd als een noodzakelijke herhaling van de progressieve godsdienstkritiek uit de jaren zestig. Maar ook in de V.S. zien we vergelijkbare fenomenen, met de alt-right die volgens Angela Nagle de neiging tot transgressie heeft gekopieerd van de linkse tegencultuur uit de jaren zestig.

4. Waarom het discours over ‘politieke correctheid’ zo krachtig is.

Wat het rechtse discours over politieke correctheid haar kracht geeft, is het feit dat progressieve normen zoals gelijkheid vaak enkel met de mond beleden worden. We leven in een liberale orde die zich officieel beroept op Verlichtingswaarden, waar mensen in theorie gelijk zijn. We weten allemaal dat die gelijkheid in werkelijkheid relatief is. Mannen zijn machtiger dan vrouwen, witte Nederlanders staan hoger op de maatschappelijke ladder dan minderheden, kinderen uit rijke gezinnen hebben meer kansen dan kinderen uit arme gezinnen, het westen is rijker en machtiger dan de rest van de wereld. Juist het breed gedeelde geloof in de ‘diepere waarheid’ van de menselijke ongelijkheid, maakt het mogelijk dat progressieve waarden gezien worden als een kunstmatige, opgelegde norm.

Alhoewel de rechtse kritiek doet alsof de politieke correctheid verstikkend is en alomtegenwoordig, is de meer prozaïsche werkelijkheid dat deze politieke correctheid enkel als wereldvreemd ervaren kan worden, omdat deze zo zwak verankerd is, omdat onze dagelijkse leefwereld er nog steeds een is van wezenlijke ongelijkheid. Daarom kan de conservatief zo overtuigend zeggen: “Kom, we weten toch allemaal dat vrouwen minder ambitieus zijn, dat moslims achter lopen, dat het westen superieur is, etc etc”. Enkel een wereldvreemde politiek correcte gutmensch zou voorwenden alsof dat niet zo is.

De rechtse kritiek op de politieke correctheid is zo krachtig omdat de progressieve waarden die ‘politiek correct’ heten te zijn zelf zo weinig kracht hebben.