Home

De Amerikaanse activist en socioloog Stephen Duncombe (verkeert in kringen rond de Yes-Men), heeft naar aanleiding van de verkiezing van Trump de pdf van zijn boek Dream: Progressive politics in an age of fantasy online gezet. Ik heb jaren geleden een inleiding daarvan samengesteld en vertaald. Ik dacht dat het wel interessant zou zijn om deze online te delen, nu een politicus is verkozen die als geen ander Las Vegas personifieert en zich van feiten weinig lijkt aan te trekken.

Wat links kan leren van Las Vegas*
Stephen Duncombe

Waarheid versus Fantasie
In de herfst van 2004 – kort voor de presidentsverkiezingen in de VS en in het midden van een bloederige maand in Irak – publiceerde New York Times Magazine een artikel over de regering Bush en de manier waarop zij harde werkelijkheden negeerde dan wel manipuleerde. Het stuk was, zoals de meeste artikelen in de Times, goed geschreven, gebaseerd op degelijk onderzoek en volkomen voorspelbaar. Dat George W. Bush slecht geïnformeerd is, niet naar anderen luistert en allerhande nonsens gelooft, was eigenlijk geen nieuws. Zelfs het feit dat Bush ooit beweerde dat Zweden geen leger heeft, en dat geen van zijn medewerkers hem durfde tegen te spreken, was niet bijzonder verrassend. Het stuk bevatte echter één waardevol nieuw inzicht. In een al snel beruchte passage beschreef de journalist Ron Suskind een gesprek tussen hemzelf en een anonieme topadviseur van de president:

De adviseur vertelde me dat mensen zoals ik zich bevinden in ‘wat wij de op realiteit gebaseerde gemeenschap noemen’. Het betekende volgens hem dat wij zouden ‘geloven dat oplossingen voortkomen uit een kritische studie van de kenbare werkelijkheid’. Ik knikte instemmend en mompelde iets over verlichtingswaarden en feitenonderzoek. Hij onderbrak me. ‘Zo werkt de wereld niet meer’, zei hij. ‘We zijn nu een imperium, door te handelen creëren we onze eigen werkelijkheid. Terwijl jullie die werkelijkheid bestuderen – zeer kritisch, als je wilt – handelen wij en creëren we nieuwe werkelijkheden, die jullie dan opnieuw kunnen bestuderen. Dat is hoe de dingen vanaf nu zullen zijn. Wij schrijven geschiedenis… en wat jullie rest is om te bestuderen wat wij hebben gedaan.’

Het was duidelijk wat de Times vond van dit inkijkje in de politieke mentaliteit van de regering-Bush. De redacteuren van de ‘Gray Lady’ plaatsten het citaat een tweede keer, dit keer in kleur, boven het gehele artikel. Dit was ideologisch goud: de regering-Bush gaf openlijk toe dat ze, arrogant als ze was, niets gaf om de werkelijkheid. Men kon het enthousiasme van de progressieve New York Times-lezers bijna proeven, een enthousiasme dat eveneens te merken was op talrijke mailinglijsten, radioprogramma’s en in de redactionele commentaren van kranten die het incident bespraken. De overmoed waarmee de werkelijkheid werd weggewuifd, vervangen door een compleet vertrouwen in de eigen verbeeldingskracht, was wel het meest schokkende bewijs van de verkniptheid van Bush. Nu zou hij zeker de verkiezingen verliezen!

Tot mijn grote bezorgdheid, die nog altijd niet is verdwenen, was mijn reactie volkomen anders. Ik was al een hele tijd een radicale tegenstander van Bush en ik heb een lange carrière achter de rug als linkse academicus en progressieve activist. Maar toch, ik las dezelfde woorden die bij links en liberals zoveel woede losmaakten… en voelde iets anders: opwinding, inspiratie… jaloezie. Terwijl de gangbare opinie was dat Bush’ flagrante gebrek aan waardering voor de werkelijkheid een bewijs was van zijn gekte, zag ik het daarentegen als een teken van zijn genialiteit. Ik wist toen al dat Bush zou worden herkozen, ondanks het feit dat hij tijdens zijn eerste regeringsperiode blunder op blunder stapelde.

Waarom was mijn reactie zo anders dan die van mijn collega’s en politieke vrienden? Misschien was ik aan het veranderen in een neocon, zoals zovelen die hun progressieve veren teleurgesteld hadden afgeschud. Zou ik in de voetsporen stappen van Christopher Hitchens?[i] De gedachte alleen al deprimeerde me. Zou het niet, heel misschien, zo kunnen zijn, dat de fout niet bij mij lag – maar bij de progressieve politiek in de VS? Of, om het duidelijker te stellen, misschien is er iets mis met de progressieve politiek in de VS, dat uitgegroeid is tot een steeds groter probleem.

Het probleem zoals ik het zie, draait om de werkelijkheid. Progressieven geloven dat de werkelijkheid bestaat, Bush en co geloven dat ze de werkelijkheid kunnen creëren. De ideologische erfgenamen van mei ’68, met hun slogan ‘verwerkelijk je verlangens’, hebben een volte face gemaakt. Zij staan nu voor het tegenovergestelde: ‘verlang naar de werkelijkheid’. Links en rechts zijn van stoel verwisseld: rechts heeft zich de mantel van het radicalisme aangemeten, terwijl progressieven met de vlag van het conservatisme zwaaien. Het zijn nu de Republikeinen die uitroepen: ‘I have a dream.’

Dromen maken linkse mensen nerveus. Verbeeldingskracht en spektakel zijn politieke stijlvormen die van oudsher gebruikt zijn door het fascisme, door het totalitaire communisme en, meer recent, door de nachtmerrie met de naam Entertainment Tonight. Traditioneel voelen we ons meer op ons gemak bij de zaken die de Times-verslaggever voor zich uit mompelde: ‘verlichtingswaarden en feitenonderzoek’.

Het is helemaal niet vreemd dat progressieven affiniteit hebben met verlichtingsdenken en feitenonderzoek. Hiermee werd tenslotte de geestelijke macht van de kerk gebroken. Door de visie van de kerk op natuurkundige en biologische processen in twijfel te trekken, schepten de empiristen ruimte om ook de politieke en spirituele macht van de kerk aan te vallen. Op dezelfde manier ondergroef het verlichtingsideaal van de rationele mens de hiërarchieën die aan de basis stonden van het feodalisme en het absolutisme. Voor die tijd werd aangenomen dat ‘gewone’ mensen niet in staat waren zichzelf te regeren of zelfstandig te opereren. Door deze ideeën in twijfel te trekken, werd de weg vrijgemaakt voor andere vormen van politiek en economie. De religieuze festivals en vormen van vermaak die de kerk en de koning organiseerden om het volk op te hitsen en/of af te leiden en zo de religieuze en koninklijke macht in stand te houden, werden vervangen door dorpsvergaderingen en samenkomsten in cafés en koffiehuizen; waar verlichte burgers de dagelijkse gang van zaken bespraken. Deze rationele burgers – die de werkelijkheid onderzochten in plaats van de bestaande ideeën voor waar aan te nemen – zouden de democratie introduceren en de markt rationaliseren. Zij forceerden zo een onherroepelijke breuk met een reactionair verleden dat gekenmerkt werd door magie, onwetendheid en manipulatie. Met andere woorden, progressieven hebben altijd de Verlichting en empirisch onderzoek omarmt, omdat deze vanuit historisch perspectief vooruitstrevend waren.

Dat behoort nu echter tot het verleden. Het beroep op waarheid en feiten, het vertrouwen in rationeel denken en handelen; deze ideeën zijn gebaseerd op een verbeeld verleden, of eigenlijk, op verouderde verbeelding. De wereld van vandaag is intrinsiek verbonden door medianetwerken, en wordt overspoeld door advertenties. Politiek beleid wordt verpakt door PR-experts en roddels over beroemdheden worden voor nieuws aangezien. Een steeds groter deel van de economie is gewijd aan marketing, entertainment en communicatie . We leven in een ‘spektakelmaatschappij’, zo verkondigde de Franse theoreticus-provocateur Guy Debord al in 1967. Desalniettemin houden progressieven vast aan een script dat uit een ver verleden stamt. Dit is een grote fout, want zij die hun kaarten zetten op de Verlichting en de harde feiten zijn gedoemd tot politieke irrelevantie. Het spektakel is de manier waarop we tegenwoordig de wereld om ons heen begrijpen. Waarheid en macht behoren diegenen toe, die het beste verhaal vertellen.

Het ethische spektakel
Wat is een spektakel? Bij het horen van het woord, denken de meeste mensen automatisch aan het voor de leeuwen gooien van christenen in de Romeinse tijd, aan grote militaire parades op het Rode Plein of aan Holiday on Ice. Maar spektakel is meer dan dat. Het is een manier om mensen te beïnvloeden: niet door rationele, redelijke argumenten of door een beroep op het gezond verstand, maar door middel van meeslepende verhalen, mythes, fantasie, verlangens en verbeeldingskracht.

Politiek spektakel heeft een lange geschiedenis, die teruggaat tot het Circus Maximus en het Romeinse Rijk, en waarschijnlijk nog veel verder. Maar in het tijdperk van democratische regimes heeft het spektakel opnieuw aan belang gewonnen. In een democratie moeten de leiders niet alleen voorkomen dat het volk in opstand komt, ze moeten er ook nog zorg voor dragen dat het volk het met hen eens is. De bekende schrijver en populaire columnist Walter Lippmann – informeel adviseur van elke Amerikaanse president van Teddy Roosevelt tot Lyndon Johnson – stelde dat de realiteit van de democratie niets te maken heeft met de manier waarop over democratie getheoretiseerd wordt. De theorieën leven in de salons, de koffiehuizen en in overheidsgebouwen; alwaar verlichte, gewichtige mannen met elkaar converseren, feiten verzamelen en, in goed overleg, rationele besluiten maken. Volgens de theorie is het democratische proces een sereen en gewichtig proces. In de praktijk ligt de lat wat lager. Om verkiezingen te winnen, om een groot en divers publiek te binden, om de meerderheid zo ver te krijgen dat ze het politieke bewind ondersteunen, moeten politici de verlangens en dromen van mensen aanspreken, en dat doen ze door middel van beeldtaal en associaties. Net zoals hun commerciële tegenhangers in Hollywood en Madison Avenue dat doen. Door het manipuleren van symbolen, door het uitbuiten van collectieve herinneringen, en door het vertellen van verhalen, is de politieke elite in staat om de publieke opinie te sturen. ‘De democratische praktijk heeft een nieuwe wending genomen,’ schreef Lippmann in 1922 in zijn boek Public Opinion.[ii] ‘Er vindt een revolutie plaats die belangrijker is dan welke verschuiving in economische machtsverhoudingen dan ook.’ Lippmann noemde deze revolutionaire ontwikkeling the ‘manufacturing of consent’ (letterlijk: de fabricatie van instemming).

Diegenen onder ons die zich verzetten tegen het bewind van de politieke elite leerden een belangrijke les van Lippmann. Om de democratie in stand te houden, en burgers daadwerkelijk in staat te stellen zichzelf te besturen, moet continu onthuld worden hoe instemming wordt gefabriceerd. Politiek theater moet onophoudelijk aangevallen worden met de wapens uit het arsenaal van de Verlichting: feiten en rationaliteit.

We hebben echter de verkeerde les geleerd.

Progressieven hadden moeten leren om een politiek te bedrijven die de dromen van mensen omarmt en spektakels organiseert die vorm geven aan deze fantasieën. Een politiek die verlangen begrijpt en het irrationele in de mens durft aan te spreken; een politiek die symbolen en associaties gebruikt. Een politiek die uit goede verhalen bestaat. We hadden moeten leren hoe je verzet creëert, tegen de heersende opinie, oftewel manufacturing of dissent.

Ik zeg niet simpelweg dat links creatiever en mediagenieker moet worden – een klacht die vaak (en terecht) wordt verwoord. Wat ik stel, is dat we moeten accepteren dat politiek – ook onze politiek – draait om beïnvloeding, zelfs om manipulatie.

Neem bijvoorbeeld Michael Moore’s film Bowling for Columbine. Geeft hij werkelijk een degelijke, goed onderbouwde verklaring voor de geweldscultuur in de VS? Nee. Brengen de beelden van de in het nauw gedreven Charlton Heston – tijdens zijn interview met Moore – ons ook maar iets dichter bij de waarheid? Nee. Maar was die scène een emotioneel en indrukwekkend argument voor gun control? Heeft de film het onderwerp op de agenda gezet? Heeft het miljoenen Amerikanen aan het denken gezet over de geweldscultuur die de VS in zijn greep houdt? Ja, ja, en nogmaals: ja! Het spectaculaire succes van de film stelde Moore zelfs in de gelegenheid om voor een miljoenenpubliek, de ‘fictieve president’ Bush en zijn ‘fictieve oorlog’ aan te vallen.

Of neem Rosa Parks. Het algemeen bekende verhaal gaat over een vrouw die spontaan in verzet komt tegen de Amerikaanse rassensegregatie en zo de wereld verandert. Ze is de alledaagse vrouw die dat typisch Amerikaanse ‘ik pik het niet meer’-punt bereikt. Het moment dat zij weigert haar zitplaats op te geven voor een blanke, is een magisch keerpunt, het Camusiaanse moment van verzet, van weigering; wanneer ‘nee!’ veranderd in ‘ja!’, het moment waarop ze opkomt voor haar waardigheid en menselijkheid – en tegelijkertijd ook voor die van ons. Dit verhaal is, zoals elke onderzoeker van de burgerrechtenbeweging weet, een leugen, een verhaal, een willens en wetens in stand gehouden mythe. Rosa Parks handelde niet spontaan. Ze was een professionele organizer, getraind op het Highlander Institute, secretaris van de lokale afdeling van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), die van te voren nauwkeurig geselecteerd was om met deze verzetsdaad de bus boycot-campagne in te luiden. Maar wat is er belangrijker, de geschiedenis of de mythe?

De geschiedenis van radicale bewegingen staat bol van spektakel. Martin Luther Kings ‘March on Washington’ in 1963 en de lunch counter sit-ins van zwarte antisegregatie-activisten in de jaren zestig, zijn klassieke voorbeelden. Abbie Hoffman – de man die op de aandelenbeurs dollarbiljetten om zich heen strooide, die een varken (‘Pigasus’) mee liet doen aan de presidentsverkiezingen, die dertigduizend hippies bijeenbracht in een poging het Pentagon te omsingelen en te laten zweven – vervolgde openlijk een strategie van het scheppen van mythes en het manipuleren van de media. Abbie begreep de regels van het politieke spel en verontschuldigde zich daar geenszins voor. In zijn advies aan mede-activisten, vertelde hij hen: ‘Deze maatschappij communiceert door middel van symbolen, stijlen, persoonlijkheden, thema’s; ze is analfabeet en apolitiek – het gaat om visuele beeldspraak, korte uitbarstingen van niet langer dan een minuut…’

De poëtische toespraken van Sub-Commandante Marcos, en zijn grappige, fabelachtige communiqués weefden een web vol fantasie rond de opstand van de Zapatista’s in Zuid-Mexico. Kort nadat hij de Zapatista’s uit de jungle had geleid (en misschien zelfs al ervoor), realiseerde hij zich dat de zwarte bivakmutsen en automatische wapens die zijn kameraden droegen, veel waardevoller waren als spektakel dan als daadwerkelijke wapens. ‘De Zapatista’s gingen wel degelijk ten oorlog,’ schrijft Frank Bardacke in zijn nawoord bij de verzamelde werken van Marcos, Shadows of Tender Fury[iii], ‘maar het waren twaalf dagen oorlog, gevolgd door meerdere maanden van theater.’

Er is een onderstroom binnen links, die al heel vroeg begreep dat politiek altijd, tot op zekere hoogte, een vorm van theater is. Deze traditie loopt door tot in de huidige andersglobaliseringsbeweging. ‘Alles is theatraal,’ zei David Solnit, die als oprichter van Art and Revolution een rol speelde in de Battle for Seattle. ‘Het probleem is echter dat ‘traditionele vormen van protest – de demonstratie, de manifestatie, de strijdliederen – gewoon slecht theater zijn.’

Ooit had links bijna een monopolie op politiek spektakel. De conservatieven waren degenen die de bestaande werkelijkheid wilden verdedigen, die de status quo wilden behouden, terwijl de radicalen voorwaarts de toekomst in wilden om de ‘nieuwe mens’ te creëren. Wat waren communisme, anarchisme en de geliefde saamhorigheid in de burgerrechtenbeweging anders dan fantasieën, die het waard waren om na te streven? ‘I have a dream…’ Gekweld echter door een verlicht schuldcomplex, distantieert links zich regelmatig van haar eigen – vaak effectieve – geschiedenis op het gebied van het mobiliseren van fantasie. Spektakel is de tactiek die taboe is. Erger nog, het is de tactiek van de vijand. Een recent artikel in de New York Times benoemde als een van de belangrijkste kenmerken van het fascisme, het feit dat het ‘appelleerde aan emoties en mythes in plaats van het verstand.’

In het verleden hebben wij als linkse activisten en intellectuelen gedacht dat het onze taak was om mensen te wijzen op de man achter het gordijn (uit de Wizard of Oz, red.). Het draaide erom de mythes van de tegenstander te ontmaskeren, en de dromen van mensen door te prikken. Om zo de waarheid aan het licht te brengen. Nu moeten we inzien dat de waarheid niet genoeg is.

‘De waarheid doet er niet meer toe,’ zei de voorzitter van de Ruckus Society, John Sellers, toen we hem spraken over de propaganda-campagne van Bush die Amerika in de Irak-oorlog heeft gestort. Het was een beetje zoals Nietzsche die verklaarde ‘God is dood’. Net zoals Nietzsche – die niet een of andere metafysische uitspraak deed, maar gewoonweg vaststelde dat God niet meer leefde in de gedachten en gevoelens van zijn landgenoten – was Sellers niet een of andere over het paard getilde postmoderne provocateur. Hij stelde simpelweg vast wat we eigenlijk allemaal al wisten: dat de waarheid niet meer doorslaggevend is in het beïnvloeden van de publieke opinie.

De Wall Street Journal, de New York Times, de Washington Post, de nieuwszenders NPR, PBS, BBC, ja zelfs de CIA heeft voor de inval in Irak ondubbelzinnig en herhaaldelijk gezegd dat er geen banden bestaan tussen Sadam Hussein en Al Qaida. Desalniettemin bleek uit enquêtes dat meer dan zestig procent van de Amerikanen geloofde dat Saddam Hussein direct betrokken was bij de aanslagen van 11 september. Dit is niet zozeer een geval van onwetendheid, dit is een bewuste keuze om onwetend te zijn.

Natuurlijk gaf de propaganda het publiek een steuntje in de rug op het moment dat deze zich welbewust van de realiteit afkeerde, maar de propaganda werkte alleen maar omdat de propagandisten in het Pentagon iets begrepen dat links liever zou negeren: mensen verkiezen met liefde een dramatisch verhaal boven de koude, onbehaaglijke werkelijkheid. We groeien op omgeven door eindeloze reclames, sitcoms en Hollywoodfilms. We hebben geleerd om ons goed te voelen bij meeslepende scenario’s, in plaats van verhalen met een open einde of verhalen vol onaangename feiten. Anders dan de ongrijpbare Osama Bin Laden en Al Qaida, waren Saddam en Irak (in ieder geval op dat moment) als het ware gemaakt voor een prime time pak slaag.

Ik bedoel niet dat de waarheid er helemaal niet toe doet. Wat ik bedoel te zeggen is dat de waarheid alleen niet volstaat. Sterker nog, ze volstaat bij lange na niet. De waarheid spreekt niet voor zich, maar moet verpakt worden. Ze moet ingebed worden in een ervaring die aansluiting vindt bij de dromen en verlangens van mensen; op een manier die resoneert met de symbolen en mythes die voor hen belangrijk zijn. Ik pleit niet voor een linkse politiek die keihard liegt, maar eerder voor een propaganda van de waarheid. Ik pleit voor de fabricatie van dissent, van tegenspraak.

Leren van Las Vegas
Waarin verschilt ons spektakel van dat van onze tegenstanders? Leidt onze erkenning en omarming van het irrationele niet onvermijdelijk tot een relativistische ‘oorlog der mythen’? Creëren we onwetendheid en blinde gehoorzaamheid wanneer we tegenspraak fabriceren? Ik denk van niet. Ik zie ruimte voor een ethisch spektakel, een spektakel dat de democratische en egalitaire idealen van linkse politiek eer aan doet. Het is ironisch dat Las Vegas – Sin City nummer één – ons kan helpen bij het formuleren van een dergelijke ethiek. In de grillige, excessieve commerciële simulaties van Las Vegas is volgens ons een spektakel-model te vinden dat meer populair en participatief is. Ik denk dat links een hoop kan leren van Las Vegas.

Begin jaren zeventig bezochten drie East Coast architecten Las Vegas. Daar, in de Nevada-woestijn, vonden Robert Venturi, Denise Scott Brown en Steven Izenour een tegengif voor de grauwe betonnen blokken en steriele glazen torens die de Europese modernistische bouwstijl domineerden. Zij zagen een architectuur van billboards, neonreclame, opzichtige casino’s en in het oog springende parkeerruimte. Las Vegas, met haar brutale stijl en commerciële intenties, verwierp de afstandelijke theorieën van respectabel ontwerp. Het modernisme fluisterde zacht de waarheid met haar minimalistisch uitgevoerde gebouwen, materialen en structuren. De stijl van The Strip in Las Vegas schreeuwde onwaarschijnlijke maar verleidelijke beloftes: Golden Nugget, Stardust, Mirage en, dichter bij de woestijn, Quick Cash Here en Girls, Girls, Girls.

Venturi, Brown en Izenour schreven in 1972 het manifest Learning from Las Vegas, waarin zij deze beeldtaal roemden.[iv] Vandaag de dag wordt van dit boek vooral de lofzang op de historische mengelmoes en eclectische stijl herinnerd: de manier waarop de casino’s aan The Strip Egyptische en barokke, klassieke en Arabische stijlen vermengden; een anti-theorie van de architectuur, die uiteraard de nieuwe dominante doctrine werd. Nog steeds wordt het boek gelezen als een van de grondteksten van het postmodernisme.

Wat Venturi, Brown en Izenour in 1972 echter vooral wilden laten zien, had meer te maken met overmoed en bescheidenheid. Het was niet dat de architecten Las Vegas geweldig vonden; zij bewonderden het feit dat zoveel mensen Las Vegas geweldig vonden. Aangezien het hun werk was om ruimtes te ontwerpen waarin mensen uiteindelijk moeten leven, vonden zij het belangrijk om aandacht te besteden aan de populaire smaak. Wanneer het grote publiek opzichtige beelden, historisch onmogelijke combinaties en praktische parkeergelegenheid waardeert, met andere woorden: symbolen en oppervlaktes prefereert boven de schoonheid van pure vorm en materiële integriteit, wie zijn architecten om dat te negeren? Moderne architecten neigen ernaar, zo schreven zij, om ‘als Experts met Idealen te bouwen voor de Mensheid, in plaats van voor mensen.’ De auteurs wilden dit tegengaan, door aandacht te besteden aan de waarden van gewone mensen en gebouwen te ontwerpen die een populaire beeldtaal spraken. Zij beweerden niet dat de klant altijd gelijk heeft, maar zij verwierpen het idee dat de verlangens van mensen altijd verkeerd zijn. Zij wilden zich niet onderwerpen aan Las Vegas, maar juist ervan leren.

Wat heeft een boek over architectuur te maken met politiek? Veel. Links richt zijn politiek verhaal traditioneel tot de Mensheid, maar lijkt jammerlijk onbekend met – of erger: staat minachtend tegenover – de verlangens van de mensen die ze willen bereiken. In onze omgang met de waarheid als fetisj en in onze schijnbare onverschilligheid ten opzichte van het verpakken van de waarheid om populaire verlangens te bedienen, bevestigen we alleen maar het stereotype dat rechts van links heeft gemaakt: snobistische experts met onmenselijke idealen; verwaande schoolmeesters die de klas opdragen om hun huiswerk te maken. Als de massa van Las Vegas houdt, dan is het aan links om uit te zoeken wat hen in Las Vegas zo aanspreekt.

In de dertig jaar na het bezoek van Venturi en zijn collega’s is Las Vegas veranderd. Als eigenaar van de casino’s hebben gangsters plaatsgemaakt voor MGM/Grand. De sleazy swinger-stijl van de Rat Pack en Frank Sinatra is ingewisseld voor compleet verzorgde (maar weinig heilzame) gezinsuitjes. Las Vegas is de snelst groeiende stad in de Verenigde Staten, haar hotels en restaurants worden wereldwijd hoog aangeschreven, en het is het centrum van een van de meest dynamische vakbondsorganisaties van het land. Maar de meest zichtbare verandering heeft zich voorgedaan in de architectuur. Goedkope billboards, opzichtige neonreclame en enorme casino’s zijn opgeslokt door de weidse, bedrieglijke skyline van New York, New York. Direct herkenbaar, al zijn ze wat onwaarschijnlijk gepositioneerd, zijn ook de Eiffeltoren van Parijs, de Egyptische piramides gemaakt van glas, en de grote paleizen van een kunstmatig Venetië. De verbeelding en vervalsing die in plaatsen als Caesar’s Palace en Circus, Circus altijd al een onderdeel van Vegas waren, zijn sinds 1972 gevoerd met steroïden.

Maar het is juist dit fantastische en bedrieglijke karakter dat ons zo intrigeert. Het is overduidelijk: Las Vegas is nep. Dit wordt bejammerd door calvinistische Amerikaanse denkers (‘de uitholling van de realiteit door simulatie’) en bejubeld door enthousiaste Franse intellectuelen (‘de uitholling van de realiteit door simulatie!!!’), maar beiden missen de clou. Een vervalsing is enkel nep wanneer mensen denken dat het verwijst naar een werkelijkheid. Het is onwaarschijnlijk dat iemand New York, New York verwart met het echte New York, of, na een bezoek aan de Great Pyramid of Luxor het gevoel heeft daadwerkelijk in Egypte te zijn geweest. De massa die van Las Vegas houdt, weet dat het nep is, en dat is tegelijkertijd een deel van de verklaring voor haar populariteit.

Dit is wat wij van Las Vegas kunnen leren.

Hedendaags Las Vegas symboliseert een ander soort spektakel dan de spektakels gecreëerd door Albert Speer en Leni Riefenstahl, of die geënsceneerd door George W. Bush. Zij probeerden voor echt door te gaan, terwijl de aantrekkingskracht van Las Vegas ligt in de vindingrijke valsheid. Net als bij Amerikaans worstelen, genieten mensen van Las Vegas omdat ze weten dat het enkel spektakel is. Het zicht op Parijs, een straat voorbij Venetië, en voorbij the Block vanaf de Brooklyn Bridge. Wat opwindend! De aantrekkingskracht van Las Vegas ligt niet in bedrog (met uitzondering van de opzet van de gokspelen); The Strip is een transparant spektakel, een zelfbewust spektakel. Wat verkocht en genoten wordt, is geen misleiding, maar illusie.

Dit is de populaire taal die wij zouden moeten aannemen: we moeten een spektakel creëren dat begrepen wordt als spektakel; dat nog steeds symbolische kracht heeft, maar de toeschouwer ook onderdeel van de voorstelling maakt. Een dergelijk spektakel heeft een open einde. Het toont zichzelf niet als De Waarheid, maar appelleert aan de verbeelding van de toeschouwer die daarmee zijn of haar eigen waarheid creëert. Het is een spektakel dat door zijn vormgeving uitnodigt tot participatie.

Hoe zou een dergelijk spektakel naar linkse politiek vertaald moeten worden? Op dit moment weten we dat niet precies, maar we hebben verschillende politieke gebeurtenissen gezien – en meegemaakt – die ons een idee kunnen geven:

Buiten doet de koude nacht zich gelden, maar binnen in de St. Marks Church in New York City is het verstikkend warm. Een massa mensen is gekomen om Reverend Billy te horen preken. Onderbroken door empathische ‘amens’ van de massa, roept de brave predikant zijn kudde energiek op om verleidingen te weerstaan. Geen ongewoon schouwspel voor een kerk, op een paar zaken na: Reverend Billy is een performer, genaamd Bill Talen en de preek handelt over het kwaad van winkelen. Achter de predikant hangt een drie meter hoge crucifix; een uitpuilende Mickey Mouse-knuffel is gekruisigd. Op het eerste gezicht lijkt dit een van de zoveelste ironische aanvallen op georganiseerde religie, voor een publiek van hippe stadsbewoners. En dat is het ook. Maar de bijeenkomst biedt meer: het is een ervaring van gemeenschap en gedeeld geloof in een wereldvisie die niet draait om consumptie. Iedereen weet dat Bill geen echte predikant is en het publiek geen echte kerkgangers, maar dat lijkt niet te deren. De bijeenkomst blijft emotionerend. Talen heeft, in zijn eigen woorden, ‘een god,’ gecreëerd, ‘waar mensen in geloven, die niet in god geloven.’

Het is zondag, drie uur ‘s middags, meer dan honderd jonge mensen verzamelen zich rondom het Cube-sculptuur bij de ingang van Manhattan’s East Village. Veel van hen dragen gettoblasters, afgestemd op een piratenzender die uitzendt vanuit een dichtbij geparkeerde oude bakkerswagen. Elektronische dance-muziek vermaakt de massa. ‘Nu,’ roept iemand, en de groep slaat af en rent de straat door in westelijke richting. We bereiken Broadway, waar in het midden van de straat een hoge driepoot is opgericht; iemand klimt naar boven. Een mobiel geluidssysteem wordt naar buiten gereden en met vol volume afgestemd op de radiopiraat. Broadway barst uit in een feest van fel geklede dansers, vuurspuwers en een bijzonder energieke skater die rondjes draait in een knalblauw konijnenpak. De folders die worden uitgedeeld aan de passerende mensen bestempelen het feest als een lokale actie van Reclaim the Streets, een protest tegen de draconische Quality of Life-campagne van burgemeester Giuliani. Maar een dergelijke uitleg lijkt overbodig. Het protest zelf is een meer overtuigende uitdrukking van het heroveren van de straat voor vrije en publieke expressie dan welk gestencild papiertje ook. De protestgangers creëren en handelen – ook al was het slechts voor een paar uur – vanuit een eigen, radicaal idee over de vormgeving van de publieke ruimte.

‘Ja, ik ben een miljardair. En, ja, ik ben voor Bush,’ zegt de jonge man ernstig tegen de FoxNews verslaggever. In de frisse herfst van New Hampshire, bij een protest ‘tegen’ de presidentskandidaat Howard Dean, lijkt de jongeman – onberispelijke gekleed in een driedelig pak, bolhoed, wandelstok en monocle – zonder twijfel op een miljardair, of op z’n minst op iemand die probeert te lijken op iemand die een miljardair imiteert. Het vond veelvuldig plaats: de protesten tegen de democratische kandidaten en het ritueel ontkurken van de champagne op Bush zijn campagne-stops.. Het is allemaal onderdeel van een satirische mediacampagne genaamd Billionaires for Bush. Terwijl de feiten van hun campagnemateriaal zorgvuldig gestaafd zijn en actievoerders nauw samenwerken met meer serieuze initiatieven voor economische rechtvaardigheid, heeft de campagne veel geleerd van de reclamemakers van Madison Avenue. Anders dan adverteerders, zijn de ‘miljardairs’ er niet op uit om iemand te misleiden. Hun theatrale slapstick is een doorzichtige fictie, die een grotere waarheid onthuld: het zijn de miljardairs die profiteren van het beleid van Bush.

Deze acties geven een indicatie van hoe een links spektakel eruit zou kunnen zien. Het zal een ander soort spektakel zijn: een spektakel dat oprecht is zonder De Waarheid te claimen, dat het geconstrueerde karakter van politiek spektakel erkent en haar democratisch maakt zonder in cynische ironie te vervallen, dat tot de verbeelding spreekt zonder volledig denkbeeldige politiek te worden. Hier ligt de uitdaging.

Guy Debord, de belangrijkste theoreticus van de Franse Situationisten, beargumenteerde in zijn meesterwerk uit 1967 dat we leven in een spektakelmaatschappij, een cultureel systeem waarin de werkelijke ervaring van het individu in de samenleving was vervangen door een representatie van die ervaring.[v] Hoewel ik het grotendeels met deze analyse eens ben (vijfendertig jaar later, in een tijd van virtuele realiteit en postmoderne schijn, is een dergelijk idee haast gemeengoed geworden), en onze opvatting van spektakel op een aantal punten overeenkomt, beschouw ik Debords oproep om het spektakel te weerstaan door de echte, directe ervaring te herwaarderen als romantisch en naïef. Ik geloof daarentegen dat de enige manier om vooruit te komen, de enige wijze om onze geleefde ervaring te veranderen, een nieuwe representatie van representatie is; met andere woorden: deelname aan het spektakel naar ons beste kunnen.

‘We vestigen onze hoop op de sportliefhebber,’ schreef Bertoldt Brecht in 1926 in een essay gericht tot zijn collega-toneelschrijvers en regisseurs die het betreurden dat de massa voetbalwedstrijden verkoos boven het serieuze theater.[vi] Maar in plaats van te jammeren over het wijdverbreide gebrek aan smaak, meende de radicale dramaturg dat artiesten iets nuttigs konden leren van sportevenementen. De eerste les was dat mensen deelnemen aan iets wat ze leuk vinden, en dat zolang theater niet leuk gemaakt werd, mensen niet komen.

Veel van Brechts radicale tijdgenoten waren tevreden met het maken van theater, of deden aan radicale theorievorming over theater. Zij namen aan dat hun goede intenties en weldoordachte analyses voldoende waren. Dat het proletariaat, eenmaal ontwaakt, de linkse waarheden vanzelfsprekend zou vinden. Brecht verwierp dit. Om als toneelschrijver of politicus effect te hebben moet men omarmen wat Marx ooit het ‘het historisch heden’ heeft genoemd. Brecht nam de positie in van een – strategische – windvaan, die de populaire wind opving en het gebruikte om er politiek theater mee te maken. Net als de auteurs van Learning from Las Vegas suggereerde Brecht niet een praktijk gebaseerd op de peiling van opinies, waarin men de mensen letterlijk geeft wat zij willen. Hij begreep dat het varen op de wind niet bepaalde in welke richting men zeilde, omdat in zijn woorden, ‘wanneer men de wind in de zeilen heeft, men natuurlijk ook tegen de wind in kan varen; het is echter onmogelijk om te zeilen zonder wind of met de wind van morgen.’ Tragisch genoeg bleken in het Duitsland van Brecht de nationaal-socialisten de beste zeilers.

De wind van vandaag is het spektakel. Wellicht is het niet onze creatie. Haar oorsprong ligt misschien niet in het pure land van de Verlichting, maar in de commerciële leegheid van reclame en entertainmentindustrie. Maar ons rest geen andere keuze dan haar te gebruiken, want zonder wind liggen we vast, verstild, richtingloos.

Nawoord over de Obama-campagne[vii]
‘Politiek is de kunst van het mogelijke,’ zei Otto von Bismarck, de beroemde beoefenaar van realpolitik. En afgaande op de oude rotten uit Washington die Barack Obama in zijn kabinet heeft opgenomen, lijkt het erop dat de president het advies van de IJzeren Kanselier serieus neemt. Het lijkt politieke wijsheid. Wanneer Obama de veranderingen die hij tijdens zijn campagne heeft beloofd wil waarmaken, dan zal hij de potentiële oppositie moeten neutraliseren en de ervaring van insiders moeten gebruiken om zijn ideeën om te zetten in wetgeving.

Maar Obama moet niet vergeten waarvoor hij gekozen is. Het electoraat liep niet warm voor de belofte van tactische politieke manoeuvres en pragmatisch beleid; het werd bewogen door dromen van hoop en verandering. (Anders had Hillary Clinton nu haar kabinet geïnstalleerd.) Obama’s hooggestemde uitlatingen waren ten dele gebaseerd op een cynische politieke strategie. Obama en zijn campagne riepen een groot, en grotendeels leeg symbool in het leven: ‘change’. Het publiek projecteerde zijn eigen, vurige verlangens voor een specifieke verandering (een gezondere economie, een einde aan de oorlog in Irak, of rechten voor homo’s) op dit algemene symbool. Dit symbool wordt vervolgens in zijn geheel verbonden aan de kandidaat. Met andere woorden, door dit symbool te bezitten, bezit je de dromen van mensen, en wanneer je hun dromen bezit dan heb je hun stem.

Dromen bevatten politieke macht. Ze kunnen cynisch ingezet worden als middel tot controle, maar ze kunnen ook gemobiliseerd worden om de toekomst open te breken en opnieuw te verbeelden. Ik werd hier enkele weken geleden nog aan herinnerd door een nepversie van de New York Times die door de Yes Men werd uitgedeeld in de stad.[viii] Naast het bericht dat de oorlog in Irak ten einde was, wisten de redacteuren van deze ‘speciale editie’ van de krant hun lezers te vertellen dat de oliereserves van de Verenigde Staten genationaliseerd waren om daarmee de strijd tegen klimaatverandering te financieren, dat alle openbare universiteiten gratis werden en dat een maximumloon-wet was aangenomen. Een voorpagina-artikel berichtte dat populaire druk Obama tot een progressieve agenda had gedwongen waarin de rijkdom werkelijk eerlijk werd verdeeld. ‘Niets hiervan is op dit moment waar,’ verklaarde Steve Lambert, één van de redacteuren van het blad, ‘maar het is allemaal mogelijk.’

Gedurende zijn verkiezingscampagne keerde Obama steeds terug naar het idee dat het onmogelijke mogelijk is; dat de dromen van vandaag de werkelijkheid van morgen zijn. Deze politiek van het onmogelijke duurde zelfs tot in de nacht van zijn verkiezing, toen hij zijn overwinningstoespraak tegenover de natie begon met de woorden: ‘Als er iemand is die nog steeds twijfelt aan het feit dat Amerika het land is waar alles mogelijk is… deze avond is jouw antwoord.’ Met deze uitspraak bouwde Barack Obama voort op de progressieve geschiedenis van wat we niet realpolitik maar dreampolitik zouden kunnen noemen.

Links ziet zichzelf graag als erfgenaam van de Verlichting, gehoorzamend aan rede en rationaliteit, zorgvuldig de feiten wegend om tot verstandige conclusies te komen; ‘the reality-based community,’ zoals Karl Rove het eens kleinerend beschreef. Maar links heeft ook een andere kant: die van de dromers. Wat waren democratie, socialisme, vrouwenemancipatie en burgerrechten eens anders dan onuitvoerbare fantasieën? Wie wordt er herinnerd vanwege zijn uitspraak: ‘I have a dream’? Dromen is noodzaak voor progressieven, omdat het ons buiten de inherent conservatieve grenzen van het heden brengt. Dromen motiveren mensen, ze maken dat je ’s ochtends opstaat en de deur uitloopt. Net als in het geval van de horizon, zullen we onze geïdealiseerde bestemmingen wellicht nooit bereiken, maar dromen kunnen een magneet zijn voor ons politieke kompas en richting geven.

De beoefenaars van Realpolitik, de beheerste experts en de hardhoofdige politici van ‘the reality-based community’ nemen een belangrijke plaats in binnen de politiek. Deze mensen grijpen de onmogelijke dromen en brengen ze terug naar de realiteit, maken dromen tot werkelijkheid. Maar je kunt niet beginnen met het mogelijke omdat je dan geen doel voor ogen hebt… en geen compromissen kunt sluiten. Om verandering te bewerkstelligen moet je dreampolitik beoefenen. De common sense mag volhouden dat ‘politiek de kunst van het mogelijke is’, maar Barack Obama heeft met zijn campagne laten zien, en moet zichzelf hier regelmatig aan herinneren, dat politiek ook de kunst van het onmogelijke is.

* Deze vertaalde tekst is het resultaat van een selectie uit: Stephen Duncombe, Dream. Re-imagining Progressive Politics in an Age of Fantasy (New York 2007) (red.).

[i]            De Britse journalist en ‘beroepsprovocateur’ Christopher Hitchens publiceerde dit jaar zijn autobiografie, Hitch-22. In De Groene Amsterdammer verscheen onlangs een overzichtsartikel over deze controversiële intellectueel: Joost de Vries, ‘Pestkop pur sang’, De Groene Amsterdammer 134 (2010) 29, 30-33 (red.).

[ii]            Walter Lippmann, Public opinion (New York 1922) (red.).

[iii]            Subcommandante Marcos, Shadows of Tender Fury. vert. Frank Bardacke, Leslie Lopéz, et al. (New York 1995) (red.).

[iv]                      Robert Venturi, Denise Scott Brown & Steven Izenour, Learning from Las Vegas (Cambridge 1997) (red.).

[v]            Guy Debord, La societé du spectacle (Parijs 1967) (red.).

[vi]                    Brecht on Theatre, vert. John Willet, (New York 1964) (red.)

[vii]            Dit is een vertaling van een artikel dat verschenen is in Reality Sandwich een online tijdschrift, zie: http://www.realitysandwich.com/realpolitik_and_dreampolitik (laatst bezocht 22 juli 2010) (red.).

[viii]            Zie http://theyesmen.org (laatst bezocht 22 juli 2010).

2 thoughts on “Wat links kan leren van Las Vegas

  1. Als dit waar is dan wordt het begrijpelijk dat Pechtold in het programma Pauw er niet in slaagt om aan de zogenaamde groep van “lager opgeleiden” de werking van de democratie uit te leggen. Volgens de Franse filosoof Girard doen mensen elkaar na, ook in hun verlangen en dromen. Werkt de framing van mythen, verhalen en verbeelding daarom beter dan de rede?

  2. Pingback: Realistig | Architectuurpodium Assen

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s