De identiteitscrisis van de PvdA

(Bij deze alvast de intro van een academisch artikel over de Derde Weg, dat over een tijdje uitkomt.)

De PvdA zou onder Kok haar ideologische veren hebben afgeschud. Terugkerende intentieverklaringen – door vooraanstaande partijleden als Cohen, Spekman en Duijvestein bijvoorbeeld – om de ideologische veren weer op te plakken roepen dan ook gelijk de nodige scepsis op. Opgeplakte veren, dat klinkt niet als een solide constructie. De meest populaire lezing is dat de PvdA nog steeds het aanzien heeft van een geplukte kip: het is een pragmatische partij zonder inspiratie, zonder visie, zonder ideologie. Dat is ook het wat stereotiepe beeld in de journalistieke analyses van de afgelopen maanden: de PvdA weet simpelweg niet waar zij voor staat.

Ik zal hier een wat genuanceerdere stelling verdedigen. De PvdA-top heeft een zeer duidelijk idee waar zij voor staat: de partij hangt het sociaalliberalisme van de Derde Weg aan, dat echter gecombineerd wordt met sociaaldemocratische getuigenispolitiek. Het geschipper tussen de sociaalliberale praktijk en de voorgehouden sociaaldemocratische principes verklaart het terugkerende ongemak van de partij met haar publieke profiel.

Het raadsel van de missende veren is een terugkerende discussie die de gemoederen al jaren bezig houdt, zo niet decennia. Bij geen andere partij is de eigen identiteitscrisis tot op een dergelijke hoogte onderdeel gaan uitmaken van de partijcultuur. De Volkskrant-columnist Sheila Sitalsing stelde eind 2014 dat er “eeuwigheidswaarde schuilt in het zinnetje dat voormalig PvdA-voorzitter Ruud Koole” opschreef in een analyse uit 1993: “De huidige positie van de PvdA kan niet anders dan met het woord ‘crisis’ getypeerd worden.” Koole schreef deze inmiddels tot tegeltjeswijsheid verheven zin in een vergelijkende analyse van de worsteling die Europese sociaaldemocratische partijen doormaakten in de vroege jaren negentig. Een tijd die in het teken stond van de moeizame overgang van het oude sociaaldemocratische gedachtegoed naar het nieuwerwetse sociaalliberalisme van de Derde Weg. “Een partij kan niet alleen opvattingen opgeven, zij moet daar ook iets voor in de plaats stellen,” zo verwoorde Koole de zoekende houding uit die tijd. Een uitspraak die zich evenzeer voor een tegeltje leent. “Ideeënvorming en niet zomaar een ‘leuk ideetje’ kan de basis leggen voor het herstel van de PvdA”, zo concludeerde de latere partijvoorzitter zijn analyse.

We kunnen stellen dat Koole op zijn wenken werd bediend. Een jaar later, in 1994, trad Tony Blair aan als leider van de Britse Labour partij. Hij zou samen met de socioloog Anthony Giddens de grootste vertolker en popularisator worden van de Derde Weg, het politieke verhaal dat de plaats zou gaan innemen van het oude sociaaldemocratische gedachtegoed in bijna geheel Europa. Het specifieke aan de Nederlandse context echter, is dat de PvdA uit strategische overwegingen ervoor zou kiezen om zich naar buiten toe nimmer helemaal te vereenzelvigen met de Derde Weg. Het nieuwe verenkleed zou slecht zeer weifelend en daarbij overwegend in besloten kring tentoongesteld worden. De partij heeft het idee van een breuk met haar sociaaldemocratische verleden consistent proberen te vermijden. Het meest saillante voorbeeld hiervan is dat PvdA-leden nog immer De Internationale zingen bij partijcongressen. In deze schipperende houding is de onbepaaldheid van de partijkoers gelegen – zo luidt mijn stelling – die al decennia de grondstof levert voor debatten over de identiteitscrisis van de PvdA.

Om een impressie te geven van het wat tragikomische, zich repeterende karakter van deze discussie: in 1993 stelt Ruud Koole dat “de belangrijkste reden voor de crisis van de PvdA” erin gelegen is dat zij “niet in staat [is] een helder sociaal-democratisch antwoord op de sociaal-economische problemen van deze tijd te formuleren”. Met de regeringsdeelname in 1989 had de partij haar oude “heilige huisjes” losgelaten, maar had men moeite om daar iets voor in de plaats te stellen. In 1998, na deelname aan Paars I, vraagt toenmalig PvdA-senator Thijs Wöltgens of de PvdA doorgaat met Paars of dat zij gebruik maakt van “een geschikte kans om haar eigen identiteit zichtbaar te maken”. In 2002, na de dramatische verkiezingsoverwinning van de LPF, wordt de crisis binnen de PvdA (een verlies van 22 zetels) door partijintellectuelen geweten aan het feit dat de “sociaal-liberale middenkoers” nauwelijks geïnternaliseerd is door de partij wat leidde tot een noodlottig “gebrek aan overtuigingskracht en sense of direction dat de PvdA uitstraalde”. In juni 2007, na een verlies van 8 zetels, verschijnt er een artikel in NRC met als ondertitel “De PvdA verkeert in crisis”, waarin verschillende prominente PvdA’ers zich afvragen wat de PvdA eigenlijk voor partij is en welke achterban zij nog bedient. In februari 2012, met het vertrek van Job Cohen die een linksere koers voorstaat, kopt Trouw “De PvdA zit in ongekende crisis”. Het artikel concludeert: “Er is niemand met een overtuigend idee van wat de positie van de PvdA zou moeten zijn.” Eind 2014, wanneer een hernieuwde crisis optreedt omdat de partij een historisch dieptepunt in de peilingen bereikt, is het verhaal als vanouds “dat de PvdA geen idéé heeft waar het voor staat”.

Nu is het gegeven dat de PvdA regelmatige politieke crises doormaakt niet uniek voor deze partij. Het uitzonderlijke is dat elke keer opnieuw, onduidelijkheid lijkt te bestaan over wat het verhaal van de partij eigenlijk is en wat dat zou moeten zijn. Een partij waarbinnen geen duidelijk idee of geen consensus bestaat over de te volgen koers zou een zeer chaotisch en stuurloos gegeven moeten zijn, incapabel tot regeren. Er is veel over de partij te zeggen, maar stuurloos is de PvdA zeker niet. Intrigerend is dat de observatie van onduidelijkheid in bovengenoemde analyses, paradoxaal genoeg veelal samengaat met de vaststelling dat het sociaalliberalisme van de Derde Weg dominant is binnen de partij. Dat stellen partijideologen als René Cuperus en Frans Becker na de ondergang van Paars in 2002. Diederik Samsom stelt op zijn beurt in 2007 dat de Derde Weg “nog altijd domineert in de PvdA”. En de opstandige senator Adri Duijvestein stelt in 2014 op schijnbaar eufemistische wijze dat “de sociaal-liberale vleugel nogal sterk vertegenwoordigd is in de partijtop”.

Het stereotype beeld dat door de jaren heen in de media is ontstaan, als zou de PvdA geen verhaal hebben, geen idee waar het voor staat, moet daarom met de nodige scepsis worden benaderd. Een genuanceerdere visie is hier noodzakelijk: de PvdA, in ieder geval de partijtop, weet heel goed waar de partij voor staat. Wie de teksten van derde weggers als Cuperus, Bos, Vermeend, Van der Ploeg, Timmermans, Bussemaker, Dijsselbloem en Asscher leest, wie de presentaties terugziet van Bos, Timmermans en Asscher bij de internationale Derde Weg denktank Policy Network, vindt daar een duidelijke en coherent politieke lijn. Binnen de partijtop van de PvdA is het sociaalliberalisme van de Derde Weg nog immer de dominante koers. Het sociaalliberale verhaal ligt echter niet goed bij de achterban, en de partijtop heeft nimmer helemaal openlijk durven uitkomen voor de Derde Weg. Partijideoloog René Cuperus zou in 2002 op verhelderende wijze schrijven:

“Paars werd, in termen van een sociaal-liberale middenkoers voor de PvdA, geïnternaliseerd door hooguit vier bewindslieden en drie kamerleden. De rest van partijkader en achterban zat met de rode billen samengeknepen zich ongemakkelijk tot paars en ‘klassevijand’ VVD te verhouden. Paars is nooit geïnternaliseerd door de PvdA-achterban; integendeel, bij velen bestond het gevoel dat de liberalen in paars aan het langste eind trokken. De partijleiding heeft de weerstand niet gevoeld, opgezocht en overwonnen. Wat, zeker achteraf, als een tekortkoming moet worden beschouwd is dat er programmatisch en ideologisch zo weinig ondernomen en beklijfd is gedurende de lange regeringsdeelname van de PvdA. De feitelijke koers Kok, de flirt met de centrumpositie in het Nederlandse politieke spectrum van de sociaal-democratie door een gecombineerde oriëntatie op een sterke aanbod-economie én een moderne, activerende verzorgingsstaat, is niet meer tot onderwerp van debat en programmatische vernieuwing gemaakt in de PvdA na de heftige WAO-debatten uit het begin van de jaren negentig. Geen moedige Clause Four-confrontaties tussen Kok en zijn partij, laat staan een eigen ontwerp van een Hollandse derde weg-variant. Er was slechts die ene Den Uyl-lezing, het afschudden van de ideologische veren, maar die bleef zonder enig vervolg, als een openingszet in een nooit afgemaakte schaakpartij.”

We kunnen stellen dat de schaakpartij in besloten kring is voortgezet. Publiekelijk is de partij blijven schipperen tussen sociaaldemocratische getuigenispolitiek en de sociaalliberale praktijk. Dat weifelachtige geschipper heeft naar buiten toe het misleidende beeld gecreëerd dat de PvdA een partij is die niet weet wat zij wil. De identiteitscrisis van de partij beperkt zich echter voornamelijk tot de vraag hoe de publieke façade van de PvdA eruit moet zien. Over de werkelijke koers lijkt minder twijfel te bestaan, als we de stemming in het partijcongres van januari 2014 even als indicatie aanhouden.

Historisch gezien is een dergelijk dualisme geenszins een noviteit. Hans Daalder, door velen gezien als grondlegger van de Nederlandse politicologie, stelde in zijn inaugurele rede van 1964 – Leiding en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek – dat een dusdanige politieke dubbelzinnigheid een kernelement is van de Nederlandse politieke cultuur. Het gefragmenteerde karakter van de verschillende 20e-eeuwse emancipatiebewegingen, (socialisten, katholieken, kleine luyden) heeft er volgens Daalder toe geleid dat deze democratiseringsbewegingen eerder deel zijn gaan uitmaken van de bestaande regenteske bestuurscultuur, dan er daadwerkelijk oppositie tegen te voeren. De emancipatiebewegingen richtten zich in het parlement op getuigenispolitiek (het verkondigen van de waarden van de eigen achterban, zonder daadwerkelijk over te gaan tot effectieve politieke organisatie om deze waarden te realiseren), en namen genoegen met een sterk gereduceerde invloed op het regeringsbeleid. Het idee van de regering als een neutraal gegeven, boven alle partijen verheven, bleef daardoor in zwang. Dit ten voordele van “quasi neutralistische stromingen” binnen diezelfde partijen en wat Daalder de “geheel kleurloze middenstof” noemt, “nuances op het politieke spectrum die de traditionele regenten en vele nieuwe bureaucraten exacter pasten dan de nieuwe bevolkingsgroepen, die tot politieke bewustheid kwamen.”

De vraag waarom deze problematiek zodanig de PvdA is gaan karakteriseren en bij andere partijen toch minder lijkt op te spelen, is niet zo simpel te beantwoorden. De meest voor de hand liggende uitleg is dat binnen de institutionele en economische context die vanaf de jaren tachtig is gaan gelden, er een grotere afstand bestaat tussen het traditionele sociaaldemocratische gedachtegoed waar de partij getuigenis van aflegt en de bestuurlijke middenkoers die de partij in werkelijkheid vaart. De VVD ligt evengoed vanuit de achterban onder vuur vanwege het feit dat de partij minder rechts is dan deze doet voorkomen, maar de partij positioneert zich duidelijk rechts van het midden en de afstand tussen principe en praktijk lijkt minder groot. Daarnaast is het centrisme van de PvdA ook op een andere manier onderscheidend. De oude middenpartij CDA is naar rechts verschoven, en een moderne middenpartij als D66 kent een duidelijk cultureel profiel door haar oppositie tegen Wilders. De PvdA is de enige partij die zowel op cultuur als op sociaal-economisch terrein het midden probeert aan te houden. Dat bevordert de waargenomen kleurloosheid. Anderen wijzen weer op partijcultuur (de historische verbondenheid met de publieke sector zou de bestuurlijke cultuur binnen de partij bevorderen) en leiderschapsconflicten als voornaamste factoren. [1]

De beschreven combinatie van sociaaldemocratische getuigenispolitiek en sociaalliberaal beleid zou ook de terugkerende klacht kunnen verklaren, dat discussies over de partij enerzijds zo’n kritische – ja zelfs masochistische – lading hebben en anderzijds zo weinig beklijven. Zo stelde het rapport Vreeman – dat de verkiezingsnederlaag uit 2007 analyseerde, dat de conclusies van het rapport dat de verkiezingsnederlaag uit 2002 analyseerde – De kaasstolp aan diggelen – nimmer op bevredigende wijze tot onderwerp van discussie waren gemaakt. Van het rapport Vreeman kan men vergelijkbare dingen zeggen. De vooraanstaande Canadese politicoloog Steven Wolinetz vergeleek de PvdA eens met een ongezonde patiënt die door een dokter een verandering van levensstijl wordt aangeraden, maar toch telkens stug doorgaat op oude voet.

[1] Zie bijvoorbeeld: http://www.nrc.nl/next/van/2014/december/13/geen-bolkestein-1446789

Tagged with: