Home

Verschenen bij Krisis, een briefwisseling met Jan-Willem Duyvendak over de verschuivingen in de Nederlandse politiek sinds Fortuyn. Hier een wat langere versie van mijn inzet met een extraatje dat vanwege ruimtegebrek geschrapt is in de Krisis tekst.

Beste Jan-Willem Duyvendak,

alweer een tijdje geleden discussieerden wij over de politieke veranderingen in Nederland van het afgelopen decennium, en hoe deze politiek te duiden. De discussie was scherp, soms zelfs wat fel van toon. Centraal stond de vraag wat de politieke signatuur is van de kentering die zich sinds de opkomst van Fortuyn heeft voorgedaan. En of deze omslag eerder conservatief of progressief genoemd kan worden. In het debat kwamen we daar niet helemaal uit. Deze briefwisseling biedt hopelijk de gelegenheid om dit belangrijke debat voort te zetten op een wat gemoedelijker wijze.

Oncontroversieel vertrekpunt van de discussie is de vaststelling dat er sinds de zogenaamde kiezersrevolte van 2002, een veelomvattende verandering heeft plaatsgevonden in de Nederlandse politieke cultuur. Een nieuw nationalisme kwam op, de politiek van de harde hand gaf de toon aan wat betreft sociale problematiek en criminaliteit, tolerantie kwam gelijk te staan met wegkijken, de problemen rond migranten en hun nageslacht moesten vooral benoemd worden en politieke correctheid werd in de ban gedaan. Het was echter een omwenteling met een tegenstrijdig karakter: een rechts politiek offensief gelegitimeerd met het schrikbeeld van bedreigde progressieve waarden. Zoals Fortuyn op bekende wijze stelde: ‘Ik heb geen zin de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen nog eens over te doen’ (Poorthuis en Wansink 2002).

Als gevolg van dit paradoxale karakter lopen de analyses over de aard van deze omwenteling nogal uiteen. Er zijn auteurs die de omslag een eenduidig conservatief karakter hebben meegegeven. Denk aan Willem Schinkel, die het land in zijn kenmerkende stijl heeft beschreven als ‘Museum Nederland’; wijlen Jos de Beus die niet zonder enthousiasme observeerde dat de conservatieve beweging had aangezet tot een ‘manifeste behoudzucht’ in de publieke opinie; en als buitencategorie Rob Riemens, die de opkomst van de PVV met die van het fascisme heeft vergeleken. Anderen legden juist de nadruk op de progressieve waarden die nu door de rechterzijde verdedigd werden. Zij vonden dat eerder de omarming van deze progressieve waarden over de traditionele politieke scheidslijnen heen, de verhaallijn was die uitgelicht moest worden. Volgens deze visie was er ook minder sprake van een breuk maar bovenal van continuïteit.

Jouw werk is een toonbeeld van deze laatste tendens. De oratie die je hield in 2004 heeft de veelzeggende titel: ‘Een eensgezinde, vooruitstrevende natie’. Je schreef daarin dat bijna ‘het gehele autochtone politieke spectrum in Nederland zich achter progressieve waarden schaart’ (Duyvendak 2004, 11). Deze visie speelt eveneens een belangrijke rol in de argumentatie van The Politics of Home, waar je schrijft over een ‘homogeneous progressive moral majority’ (Duyvendak 2011, 87). In een eerder stuk voor Krisis, stelde ik dat ‘een dergelijke uitspraak enkel houdbaar lijkt na een aanzienlijke reductie van de betekenis van begrippen als “vooruitstrevendheid” en “progressieve waarden”’ (Oudenampsen 2013, 73). Progressieve waarden worden in je werk gereduceerd tot de ontkerkelijking en de daaruit voortkomende ‘progressieve opvattingen over homoseksualiteit, gender en gezin’ (Houtman en Duyvendak 2009, 4). Op het fundament van deze beperkte consensus bouw je vervolgens de these van een eensgezinde progressieve meerderheid. Enkel de conservatief-religieuze minderheid zou daar geen deel van uitmaken, bestaande uit moslims, de SGP, en de CU. De politieke polarisatie uit het afgelopen decennium is in jouw ogen het resultaat van een ‘vooruitstrevende meerderheid’ die zich verzet tegen ‘een als conservatief-religieus gepercipieerde minderheid’ (Houtman en Duyvendak 2009, 96). Ik nam in hetzelfde artikel in Krisis ook stelling tegen het conservatismebegrip dat je hanteert en in het bijzonder de stelling dat ‘de conservatieve positie niet politiek [wordt] gearticuleerd’ (Duyvendak 2004, 11). Conservatisme lijk je zo eveneens te beperken tot opvattingen over homoseksualiteit, gender en gezin.

Jij ziet een eensgezinde vooruitstrevende natie met een progressieve meerderheid, een politiek waarin de erfenis van de jaren zestig doorklinkt als alomtegenwoordige achtergrondmuziek. Ik zie een overwegend conservatieve tegenbeweging waarin weliswaar enkele opvallende progressieve elementen geïncorporeerd zijn maar daarin een ondergeschikte rol spelen. Ik stel dat nieuwrechts een gemoderniseerde vorm van conservatisme in Nederland heeft ontwikkeld, door enkele van de belangrijkste progressieve verworvenheden uit de jaren zestig en zeventig in haar programma op te nemen: vrouwenrechten, homorechten, individualisme, secularisme. De algehele toon is er echter een van verzet en strijd tegen de progressieve tijdsgeest van de jaren zestig en zeventig. Verzet tegen links, tegen de babyboomers en alles waar zij voor staan. Sla een boek open van conservatieve denkers als Martin Bosma, Andreas Kinneging, Frits Bolkestein of Bart Jan Spruyt, lees blogs als GeenStijl en de afkeer van de jaren zestig komt je tegemoet. De ‘conservatieve golf’ zoals de (eveneens conservatieve) Volkskrant-redacteur Hans Wansink (1996) het in een vroeg stadium heeft genoemd, is zowel een product van de progressieve tijdgeest als een afrekening daarmee. Op zich is dat niet zo vreemd als het lijkt. De historicus Von der Dunk, schrijvend over het conservatisme, zag dit als ‘het dubbelaspect van elke geestelijke stroming, die altijd tegelijkertijd voortzetting én negatie is van de stroming, waar ze zich tegen richt’ (Von der Dunk 1976, 89). In Groot-Brittannië is inmiddels de term ‘progressief conservatisme’ in omloop gekomen, om vergelijkbare ontwikkelingen in andere Europese landen te beschrijven (Diamond 2013). Ik prefereer zelf de term ‘postprogressief’ (Oudenampsen 2013), omdat progressief conservatisme naar mijn mening een oxymoron is. (1)

Uitgaande van het idee dat de politieke kentering van het afgelopen decennium een gemengd en paradoxaal karakter kende, is er een redelijke discussie te voeren over het relatieve gewicht dat aan progressieve dan wel conservatieve elementen toegedicht kan worden. Maar in jouw werk lees ik een algehele ontkenning van dit gemengde karakter, enkel mogelijk door een zeer selectieve en gereduceerde conceptie van zowel conservatieve als progressieve waarden.

Ten eerste lijkt mij de stelling uit je oratie uit 2004, dat ‘de conservatieve positie niet politiek wordt gearticuleerd’ (Duyvendak 2004: 11) moeilijk houdbaar. Let wel, dit is geschreven vier jaar nadat de invloedrijke conservatieve Edmund Burke stichting werd opgericht, met als deelnemers prominente conservatieve politici als Dries van Agt en Onno Ruding en intellectuelen als Andreas Kinneging, Bart Jan Spruyt, Paul Cliteur en Joshua Livestro. In 2003 werd het Conservatief Manifest gepubliceerd waarin opgeroepen werd om ‘de eenzijdige opvoeding tot mondigheid en het opkomen voor jezelf, je “eigen mening”, gevoelens en sentimenten – de opvoeding die de erfenis vormt van de jaren zestig en zeventig – te repareren’. Het leidde tot felle reacties op de opiniepagina’s door toenmalige hoogleraren als Ankersmit, Achterhuis, Van Doorn en Witteveen. In 2003 publiceerde Bart Jan Spruyt (2003) het boek Lof van het Conservatisme, en in 2004 zou dezelfde Spruyt het partijprogramma van Wilders schrijven en de politieke nestor worden van het blonde fenomeen. Het was de tijd dat Jaffe Vink het Trouw katern Letter en Geest tot een neoconservatief platform omtoverde. De tijd dat Ayaan Hirsi Ali furore maakte met haar islamanalyse geïnspireerd op het werk van de invloedrijke neoconservatief Bernard Lewis. En waarin Bolkestein lezingen hield over de ‘massacultuur die de democratie zou verzwelgen’. Wie het terugleest ziet bijna letterlijke vertalingen van neoconservatieve denkers als Irving Kristol en Norman Podhoretz, die overigens ook expliciet worden genoemd. Het was de tijd waarin Paul Scheffer zijn baanbrekende essay het Multiculturele Drama publiceerde, dat hij inspireerde op neoconservatieve auteurs als Samuel Huntington en weer Norman Podhoretz. Het was een tijd waarin het in sociologische kringen genoegzaam bekend moest worden geacht, dat Fortuyn (2002) in zijn boek De verweesde samenleving een nieuw type conservatisme probeerde te verwoorden. Er was kortom, sprake van een levende conservatieve beweging, die zich klaarmaakte om het politieke establishment te veroveren en het politieke landschap de daaropvolgende jaren sterk naar rechts zou weten te bewegen.

Ten tweede leidt het idee van een eensgezinde progressieve meerderheid tot de ontkenning van het politieke conflict dat de afgelopen tien jaar de Nederlandse politiek in haar greep heeft gehouden. Een conflict waarbij de ‘linkse elite’ en progressieve waarden op vele terreinen onder vuur kwamen te liggen door een conservatieve tegenbeweging. Denk aan thema’s als milieubescherming, cultuurbeleid, internationalisme, economie, arbeidsethiek, discriminatie, ontwikkelingshulp, terrorisme, immigratie, misdaadbestrijding, justitie en sociaal beleid. Op al deze gebieden zagen we de afgelopen jaren een beweging in het publieke debat en de politieke arena naar meer conservatieve opvattingen. De reductie van het progressieve project tot enkel seksualiteit, gender en gezin lijkt me een miskenning en geringschatting van de progressieve politiek in Nederland. En dat kan toch niet je bedoeling geweest zijn. Hetzelfde kan gezegd worden over het conservatisme.

Ten derde levert de zeer selectieve definitie van progressieve en conservatieve waarden ook allerlei problemen op wat betreft de consistentie in je eigen werk. Zo staat het eerder genoemde boerkini-artikel (Houtman en Duyvendak 2009) vol met merkwaardige tegenstrijdigheden als het gaat om een centraal element binnen deze progressieve meerderheid. Dan bedoel ik het electoraat van nieuwrechts, de voormalige arbeidersklasse en de lagere middenklasse, die om een of andere reden in het artikel steevast als ‘maatschappelijke onderlaag’ worden aangeduid. Op pagina negen lezen we dat deze ‘onderlaag’ niet meer socialistisch is, maar haar woede nu richt op de bestuurlijke elite. Op pagina veertien lezen we dat als gevolg hiervan de oude economische klassenpolitiek volledig op zijn kop is komen te staan, en niet links maar rechts de vertegenwoordiger is geworden van laag opgeleide autochtone groepen. Echter op pagina twaalf lezen we dat de traditionele economische klassenpolitiek nooit heeft bestaan in Nederland vanwege de verzuiling. De arbeidersklasse is in Nederland nooit overwegend links geweest, wat deze bestond voornamelijk uit protestantse en katholieke en daarmee conservatieve arbeiders. Deze niet-bestaande economische klassenpolitiek kan dus logischerwijs ook niet op zijn kop zijn gezet. Vervolgens lezen we dat deze vermeende vooruitstrevende onderlaag zich kenmerkt door een verlangen naar een ‘stabiele, ordelijke en voorspelbare samenleving’ (p13). Dit wordt dan weer verklaard uit de these van het autoritarisme van de arbeidersklasse. Het is een stelling die de Amerikaanse socioloog Seymour Martin Lipset aan het einde van de jaren vijftig formuleerde om het culturele conservatisme van de arbeidersklasse te verklaren. Dit betekent dat de eerder als progressieve geïdentificeerde onderlaag, op cultureel gebied conservatief is, zoals Houtman en Achterberg (2010, 13) mooi uitleggen:

‘Waar het gaat om de culturele kwesties die vooral sinds 2002 steeds centraler zijn komen te staan in de politiek, huldigt de maatschappelijke onderlaag echter juist de rechtse en autoritaire standpunten, zoals Lipset al in de jaren vijftig heeft betoogd: “Economische progressiviteit verwijst naar de gebruikelijke kwesties rond herverdeling van inkomen, status en macht tussen klassen. De minder bedeelden zijn overal meer progressief of links waar het gaat om dergelijke kwesties (…) Wanneer progressiviteit echter wordt gedefinieerd in niet-economische termen – waarbij het dan dus gaat om steun voor, bijvoorbeeld, vrijheidsrechten voor politieke dissidenten, vrijheidsrechten voor etnische en raciale minderheidsgroepen, een internationaal georiënteerd buitenlands beleid, en een ruimhartig immigratiebeleid – dan is de correlatie precies omgekeerd.”’

Dit idee van de conservatieve aard van het nieuwrechtse electoraat wordt verder bevestigd door recent empirisch onderzoek, dat stelt dat homoseksualiteit en vrouwenrechten ‘nauwelijks van belang zijn voor PVV-stemmers’ (De Koster et al. 2013). De logische conclusie lijkt mij dat opvattingen over seksualiteit, gender en gezin slechts een instrumentele rol hebben gespeeld in het politieke conflict over ‘culturele kwesties’ van het afgelopen decennium, en daarmee tevens een beperkt verklarend vermogen hebben. De consensus op dat specifieke deelterrein lijkt me niet voldoende om in algemene termen te kunnen spreken over een progressieve meerderheid. Tevens moeten we concluderen dat de conservatieve positie wel degelijk wordt gearticuleerd, en er onder het electoraat ook vraag naar is.

Het roept de vraag op hoe politieke standpunten geanalyseerd moeten worden. Als politici aan de rechterzijde zich als verdediger opwerpen van vrouwenrechten en homorechten, betekent dit dat zij intrinsiek gemotiveerd zijn door zorgen over de emancipatie van deze groepen? Of zou het kunnen zijn dat hier een andere agenda achter schuilgaat? Je stelt zelf in een recent artikel dat homorechten gebruikt worden om antimoslim sentimenten te legitimeren (Mepschen et al. 2010). Is er met die rechtse omarming van progressieve waarden niet iets vergelijkbaars aan de hand? Het betekent lijkt me, dat er een relationele analyse gemaakt moet worden van dergelijke standpuntbepalingen. In plaats van genoegen te nemen met de nominale inhoud van politieke standpunten, is het noodzakelijk te kijken naar de manier waarop deze worden gearticuleerd in een breder discours. Neem het statement van Thatcher over vrouwenrechten in 1982: ‘The battle for women’s rights has been largely won. The days when they were demanded and discussed in strident tones should be gone forever. And I hope they are. I hated those strident tones that you still hear from some women’s libbers’ (Thatcher 1982). Hier wordt een affirmatie van vrouwenrechten gebruikt om het feminisme aan te vallen. Ik noem dit type discours postprogressief: het idee dat emancipatie al bereikt is, leidt tot een afwijzing van progressieve bewegingen. Een vergelijkbaar discours wordt naar mijn mening ingezet door nieuwrechts in Nederland, dat progressieve waarden omarmt als stok om moslims mee te slaan, maar zich juist afzet tegen de progressieve bewegingen die deze waarden gemeengoed hebben gemaakt.

Ik ben benieuwd naar wat je van deze these vindt.

Twee vormen van sociologie (geschrapt in Krisis-versie)

Vanuit de politieke elite heeft men geprobeerd deze conservatieve revolte verend op te vangen, ofwel te accommoderen. Dit volgens de logica van het klassieke pacificatiemodel van Arend Lijphart. Sociologen, bestuurskundigen en politicologen hebben hier – bewust of onbewust – een centrale rol in gespeeld. Politieke tegenstellingen werden niet zozeer politiek geduid en onderzocht – over het neoconservatisme is bijvoorbeeld hoegenaamd niets gepubliceerd in Nederland – nee, het ging er voornamelijk om deze tegenstellingen te depolitiseren en te accommoderen om zo de rust te herstellen. Ik heb eerder geschreven over de studie van Mark Bovens – diplomademocratie – als een voorbeeld van een dergelijke accommodatiestrategie.

Tenslotte ben ik er van overtuigd dat onze onenigheid een bredere betekenis heeft en te herleiden is tot twee verschillende manieren om sociologie te bedrijven. Aan de ene kant de sociologie die uitgaat van een organische maatschappijopvatting, waarin de samenleving als een harmonisch geheel wordt gezien. Denk aan het functionalisme van Durkheim tot Parsons en het hedendaagse pluralisme. Aan de andere kant de traditie van conflictsociologie in de lijn van Marx, Weber, C. Wright Mills tot Bourdieu. Nederland kent een dominante intellectuele traditie afkomstig uit de verzuiling, om politiek en maatschappij te denken als een harmonisch geheel: het organicisme dat de socioloog Jacques van Doorn in een klassieke studie uit 1989 heeft uitgeroepen tot de gemeenschappelijke ideologie van het Nederlandse politieke bestel (Van Doorn 1989, p41). Een bijkomend kenmerk van deze traditie is de nadruk op empirie en de afkeer van theorie en doctrine. Dit gaat samen met de neiging om maatschappelijke tegenstellingen te depolitiseren en weg te denken. Een tendens die bevorderd wordt door de geringe autonomie van het sociaalwetenschappelijke bedrijf in relatie tot de overheid. Het leidt tot verpolitiekte wetenschap waarbij de socioloog gereduceerd wordt tot een ambtelijk denker, wat Bourdieu eens de penseur fonctionnaire heeft genoemd (Bourdieu 1998, p38). Deze figuur, zo stelt Bourdieu, neigt ertoe maatschappelijke ontwikkelingen te homogeniseren en de problemen van de overheid – in dit geval de politieke polarisatie – tot sociologische problemen te maken. De sociale wetenschappen hebben in de 20e eeuw hun onafhankelijkheid weten te verwerven, enkel door een grotere afhankelijkheid van de overheid. Wetenschappers verliezen echter hun autonomie, als zij niet bereid zijn om de relatieve vrijheid die de overheid hen gunt, in te zetten tegen diezelfde overheid, aldus Bourdieu.

Ook Nederland kent zo’n kritische traditie, Zo stelde Hans Daalder in 1964, door velen gezien als grondlegger van de Nederlandse politicologie:

‘Tot een wezenlijk inzicht in de politieke realiteiten in Nederland kan de wetenschap der politiek slechts dan bijdragen indien zij niet aarzelt zich in te laten met onderzoek naar de binnenzijde van vele heilige huisjes. Versluiering van politieke macht en politieke strevingen is in elk politiek stelsel een der middelen van regeren. Elk wetenschappelijk onderzoek van dergelijke verschijnselen loopt daarom het risico in strijd te raken met gevestigde belangen. De politieke wetenschap zal het conflict daarmee zo nodig moeten aandurven, wil zij niet in feite tot medeplichtige daarvan worden.’ (Daalder 1974, p36)

Of neem de hoogleraar theoretische sociologie Piet Thoenes, bekend vanwege de introductie van de term verzorgingsstaat, die in 1962 opriep tot ‘een dieper borende sociale wetenschap’, een politieke sociologie:

‘[E]en dergelijk type sociologie wordt gekenmerkt door een uitgesproken politiek gehalte. Zij onderwerpt de bestaande samenleving aan een wel degelijk deskundige, maar daarom niet minder waardegebonden analyse, die voor het politieke beleid directe, maar dan ook openlijk uitgesproken konsekwenties heeft. De sociologie is hier niet beleidsinstrument als technisch apparaat voor een ordehandhavende elite, maar een instrument tot politieke bewustmaking. In eerste instantie kan dat een bewustmaking zijn, die zich richt tot een bepaalde elite, van vakgenoten b.v., maar de stroom is hier anders gericht, van daar loopt zij door naar de politieke partij en de politieke discussie en zo verlevendigt zij het voor de democratie zinvolle en essentiële gesprek.’ (Thoenes 1962, p221)

Ik wil je uitnodigen om te helpen deze traditie weer tot leven te wekken. Ik weet dat het klimaat ons niet gunstig gezind is.

 

Noten:

(1) Zoals Norbert Bobbio stelt in zijn bekende boek over het links-rechts onderscheid (Bobbio 1996), zijn termen als progressief en conservatief relationele termen, die net als ‘onder’ en ‘boven’, voor een belangrijk deel hun betekenis ontlenen aan het contrast met het tegengestelde kamp. Het progressief conservatisme kan niet werkelijk progressief zijn, anders zou het immers niet conservatief meer zijn. Het progressivisme baseert zich volgens Bobbio op het gelijkheidsdenken, waar het conservatisme een verdediging is van menselijke ongelijkheid.

 

Literatuur:

Bobbio, N. (1996) Left and Right: the significance of a political distinction. Chicago: The University of Chicago press.

Bourdieu, P. (1998) Practical Reason: on the theory of action. Stanford University Press.

Daalder, H. (1974) Politisering en lijdelijkheid in de Nederlandse politiek. Assen: Van Gorcum.

De Koster, W., R. Kemmers, S. van Bohemen, J. van der Waal, P. Achterberg (2013) ‘Progressieve waarden nauwelijks van belang voor PVV-stemmers’. In: Trouw, 20 augustus 2013.

Diamond, P. (2013) ‘The new ‘progressive’ conservatism is a threat to the centre-left’. In: The New Statesman, 8 september 2013. Beschikbaar online op: http://www.newstatesman.com/international-politics/2013/09/new-progressive-conservatism.

Doorn, J.A.A. van (1989) Schets van de Nederlandse politieke traditie. In: De Beus, Van Doorn en Lehning, De ideologische driehoek: Nederlandse politiek in historisch perspectief. Amsterdam: Boom, p11-60

Duyvendak, J.W. (2004) Een eensgezinde, vooruitstrevende natie. Over de mythe van ‘de’ individualisering en de toekomst van de sociologie. Amsterdam: Vossiuspers UvA.

Duyvendak, J.W. (2011) The politics of home. Belonging and Nostalgia in Western Europe and the U.S. New York: Palgrave Macmillan.

Fortuyn. P ([1995] 2002) De verweesde samenleving. Een religieus- sociologisch traktaat. Rotterdam: Karakter Uitgevers.

Houtman, D. en J.W. Duyvendak (2009) ‘Boerka’s, boerkini’s en belasting- centen. Culturele en politieke polarisatie in een post-christelijke samenleving.’ In: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (red.) Polarisatie. Bedreigend en verrijkend. Amsterdam: Uitgeverij SWP, 102-119.

Houtman, D. en P. Achterberg (2010) ‘Populisme in de polder: stemmen en mopperen in een post-confessionele politieke cultuur.’ In: Jaarboek Kritiek 2010, 11-31.

Mepschen, P., J.W. Duyvendak, en E. Tonkens (2010) Sexual politics, Orientalism and multicultural citizenship in the Netherlands. In: Sociology, 44(5), 1–18.

Oudenampsen, M. (2013) De revolte van nieuwrechts: neoconservatisme en postprogressieve politiek. In: Krisis 2013, nr 1, 72-88.

Poorthuis, F. en Hans Wansink (2002) Pim Fortuyn op herhaling: ‘De islam is een achterlijke cultuur’. In: De Volkskrant, 9 februari 2002.

Spruyt, B.J. en M. Visser (2003) ‘Conservatief manifest’. In: Trouw, 18 maart 2003.

Spruyt, B. J. (2003) Lof van het conservatisme. Amsterdam: Uitgeverij Balans.

Thatcher, M. (1982) Lecture on Women’s Rights in a Changing World, London, July 26, 1982. Online beschikbaar op: ‘Margaret Thatcher in Her Own Words’, New York Times April 8 2013. (consulted january 2014) URL http://www.nytimes.com/interactive/2013/04/08/world/europe/margaret-thatcher-in-her-own-words.html?smid=tw-nytimes&_r=1&

Thoenes, P. (1962) De elite in de verzorgingsstaat. Leiden: H.E. Stenfort Kroese.

Von der Dunk, H.W. (1976) Conservatisme. Bussum: Unieboek.

Wansink, H. (1996) De conservatieve golf. Amsterdam: Prometheus.

 

 

 

2 thoughts on “Twee vormen van sociologie

  1. IJzersterk, ben benieuwd wat hij hierop te zeggen heeft. Maar het is nog een graadje erger – en dat onderstreept ook weer jouw punt: als co-auteur van Het Bange Nederland schaarde Duyvendak ook critici van de vrije markt onder het kopje conservatisme.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s