Home

Gepubliceerd in het zomernummer van de Groene, 3 juli 2013.

Hoe kun je Marokkanen uitmaken voor Rifapen, tegenstanders publiekelijk dood wensen, vrouwen als neukobjecten portretteren en er nog mee wegkomen ook? Door het te doen met een ironische knipoog. Het is de humor die het weblog GeenStijl ertoe in staat stelt om te zeggen wat normaliter niet gezegd mag worden. Dit jaar beleeft het haar tienjarig jubileum. Een analyse is op zijn plaats.

Sinds de oprichting van de site in 2003, heeft GeenStijl zich ontwikkeld tot een dominante aanwezigheid op het internet, een toonaangevende actor in het Nederlandse medialandschap, en een van de grote gangmakers wat betreft de verrechtsing van zowel de kwaliteitskranten als de publieke omroep. In de laatste jaren heeft het weblog aan slagkracht verloren, het is in zekere zin slachtoffer geworden van het eigen succes. GeenStijl is inmiddels vuistdiep doorgedrongen in het gevestigde medialandschap en is aldaar welwillend ontvangen en gecoöpteerd. De Volkskrant heeft Bert Brussen en Jan Bennink, HP de Tijd Bas Paternotte, RTL4 Jojanneke van den Berge, de publieke omroep POWNED en de Telegraaf Media Groep is nooit ver uit zicht. Wat ooit een marginale en rebelse jongensclub was, behoort inmiddels tot de canon van de Nederlandse mediacultuur. Diffuser dan voorheen, maar immer present.

Commentatoren die GeenStijl de afgelopen jaren veroordeelden als een vorm van verhuftering of culturele ontaarding van de lagere middenklasse, zien iets belangrijks over het hoofd. Neem Dick Pels, die in een essay uit 2009 ‘de scheldtoon van internet-reaguurders’ in verband brengt met ‘het onbehagen van maatschappelijk teleurgestelden’, met ‘huftergedrag in het verkeer en onfatsoenlijkheid in de openbare ruimte’. Wat dit soort analyses stelselmatig over het hoofd zien is het feit dat de choquerende humor van GeenStijl niet van onder komt maar juist van boven. Het is een literaire techniek, een afgeleid product van de hogere cultuur. GeenStijl is het beste te begrijpen als de gepopulariseerde vorm van een belangrijke literaire en intellectuele traditie op rechts.

Als we met een dergelijke bril kijken naar de teksten van GeenStijl, dan vallen drie elementen op die bij nader inzien met elkaar verbonden blijken te zijn. Allereerst kenmerkt de site zich door een nihilistische oriëntatie, die klassiek Nietzscheaans is in inspiratie. Ten tweede vertoont het gebruik van humor door GeenStijl veel kenmerken van een literaire vorm die de Russische criticus Bakhtin ooit beschreven heeft als ‘het carnavaleske’. De term verwijst naar een literaire stijl die erop gericht is (literaire) conventies te doorbreken door middel van grof taalgebruik, humor en verwarring. Deze carnavaleske stijl is op haar beurt weer verbonden met een derde element: de ironische kwaliteit van het schrijven van GeenStijl. Deze elementen zijn natuurlijk niet door GeenStijl zelf bedacht of samengebracht. Ze zijn afkomstig uit een langere satirische en intellectuele traditie op rechts, die loopt van Gerard Reve tot Gerrit Komrij, Theo van Gogh, Theodor Holman, Propria Cures – en, inderdaad, ook GeenStijl.

De nihilistische, Nietzscheaanse inspiratie van GeenStijl is het duidelijkst verwoord in het inmiddels bekende Hufter Manifest. Het is een tekst die in 2010 gepubliceerd werd als een reactie op Wat een hufter!, het boek van de filosoof Bas van Stokkum over verhuftering. In het ironisch geschreven manifest wordt een epische strijd geschetst tussen de hufters en de fatsoensterroristen, waarbij de hufters de good guys zijn en de fatsoensrakkers het te bestrijden kwaad: ‘De hufters zorgen juist voor transparantie en vooruitgang. Het zijn de fatsoensterroristen die de daadwerkelijk asocialen zijn en die Nederland proberen te vangen in hun status quo.’

Hufters zijn volgens het manifest mensen die lastige vragen durven stellen, die voor zichzelf durven denken en buiten de bestaande morele consensus durven te treden. Hufters blijken mensen te zijn als Copernicus en Darwin, die vooruitgang mogelijk hebben gemaakt door zich niets aan te trekken van religieuze ‘fatsoensterroristen’. De verhuftering is volgens de GeenStijl redactie dan ook een positieve tendens die met volle overgave omarmd moet worden. ‘Verhuftering is je niets aan trekken van de kritiek of de complimenten van anderen.’ ‘Verhuftering is ontdekken, aantonen en constant de fundamenten van je wereld in twijfel trekken.’

Voor de oplettende lezer begint het hier al enigszins op te vallen. Jawel, GeenStijl schrijft over (metafysische) fundamenten die in twijfel moeten worden getrokken. Wie doorleest ontdekt dat het Hufter Manifest verdacht veel parallellen vertoont met de moraalfilosofie die Friedrich Nietzsche neergepend heeft in Voorbij goed en kwaad. Nietzsche ageert aldaar tegen wat hij de slavenmoraal en ook wel de kuddemoraal noemt. Hij verzet zich tegen de waarden die voortkomen uit de overheersten en afhankelijken, die zijn ingebed in de christelijke ethiek van naastenliefde en het gelijkheidsdenken van de socialisten. Hiertegenover plaatst Nietzsche de herenmoraal – de ‘verheven zielsinhouden’ van de aanzienlijken en de machtigen – die zichzelf als leidraad durven nemen. Zo schrijft Nietzsche: ‘De mens van het voorname type is voor zijn gevoel zelf waardebepalend, hij heeft geen goedkeuring nodig, hij oordeelt “wat voor mij schadelijk is, is schadelijk als zodanig,” hij ziet zichzelf als iets waaraan de dingen pas hun eer ontlenen, hij is waardenscheppend.

Het Hufter Manifest is een knappe vertaling van deze Nietzscheaanse thema’s naar het domein van de populaire cultuur. De hufters staan gelijk aan de herenmoraal, de ‘fatsoensterroristen’ staan voor de slaven- en de kuddemoraal. Waar Nietzsche stelt dat de voorname mens geen behoefte heeft aan de goedkeuring van anderen en uitgaat van experiment en het overschrijden van grenzen, daar schrijft GeenStijl over hufters die losbreken van de kudde en ‘over het hek springen om de wildernis te verkennen’.

Nietzsche beschimpt de kuddemoraal die zich kenmerkt door conformisme aan de groep. GeenStijl beschrijft ‘fatsoensterroristen’ als ‘een kudde koeien die MAGNIET! loeien naar de uitgebroken koe, terwijl ze zich protestloos naar het slachthuis laten leiden.’ Ook het christelijke karakter van de slavenmoraal zien we terug bij de fatsoensterrorist uit het manifest, ‘die hel en verdoemenis predikt en God of Godwin er bij sleept om zijn misplaatste standpunt kracht bij te zetten’.

Een ander bekend Nietzscheaans thema is de afkeer van altruïsme. De dappere, voorname mensen, aldus Nietzsche, ‘staan het verst af van de moraal die juist in medelijden, activiteit ten bate van anderen of onbaatzuchtigheid een blijk van moraliteit ziet; geloof in zichzelf, trots op zichzelf, een houding van elementaire vijandschap en ironie tegenover onbaatzuchtigheid behoren al even stellig tot de voorname moraal als een lichte geringschatting en voorzichtigheid ten aanzien van medegevoel en een “warm hart”.’

Een vergelijkbaar sentiment vinden we bij GeenStijl, dat schrijft dat ‘fatsoensterroristen’ zich op hun best voelen ‘als ze zich hartstochtelijk beledigd kunnen voelen namens een groep mensen waar zij niet bij horen. “Ik heb zelf geen rood haar, maar ik vind het onfatsoenlijk dat je zegt dat roodharige mensen geen ziel hebben! Zulke opmerkingen raken me in mijn hart! Dat soort. Niet alleen omdat ze vinden dat het fatsoenlijk is om voor iedereen op te komen, maar ook omdat ze oprecht menen dat beledigde groeperingen de weerstand hebben van een AIDS-patiënt met longemfyseem.’

Ook de militante toon van GeenStijl krijgt nieuwe betekenis als we die bekijken in het kader van de eigenschappen die Nietzsche toekent aan de herenmoraal: het zoeken van ‘verfijning in de vergelding’ en de ‘noodzaak om vijanden te hebben’, als afvoerkanalen voor emoties als jaloezie, strijdlust en overmoed.

De belangrijkste paradox in deze is dat Nietzsche’s aristocratische geschimp op de kuddementaliteit van het gewone volk, in dit manifest gereproduceerd wordt voor een publiek dat zelf een digitale kudde is: de GeenStijl reaguurders. Het is een blijvende contradictie. Duidelijk is verder dat de flirt met het nihilisme maar gedeeltelijk opgaat wat de rest van de schrijfsels van Geenstijl betreft. Als het aankomt op criminaliteit en ordehandhaving dan blijkt GeenStijl opeens een fervent verdediger van de bestaande morele orde. Dan roept het weblog net zo goed MAGNIET! naar de uitgebroken koe, zeker als het geen roomblanke Nederlander betreft. Het zijn voornamelijk de destructieve kwaliteiten van het nihilisme die hier worden ingezet. Wat het positieve programma betreft, kunnen we stellen dat GeenStijl een moderne conservatieve politiek voorstaat die zich richt op de hardwerkende Nederlander, het herstel van het gezag en meer traditionele sekseverhoudingen – de haat voor het feminisme kent geen grenzen op de GeenStijl burelen.

Deze nihilistische motieven gaan samen met een zeer vernuftig gebruik van humor. Het kan misschien nog wel het beste begrepen worden in het kader van wat Bakhtin eens ‘het carnavaleske’ heeft genoemd. Mikhail Bakhtin, een Russische literatuurcriticus, formuleerde op briljante wijze een theorie van carnaval in de beroemde studie Rabelais en zijn wereld. Bakhtin begon met zijn verkenning van carnaval als een manier om het werk van de Franse humanistische schrijver Francois Rabelais (1494-1553) te kunnen duiden. Volgens Bakhtin wordt de stijl van schrijvers als Rabelais (en tijdgenoten als Shakespeare, Boccaccio, Dante, Cervantes) gekenmerkt door een carnavaleske techniek, erop gericht om de bestaande orde op stelten te zetten, via literaire ontregeling en humor. De studie van Bakhtin is een ode aan het maatschappijkritische potentieel van de carnavaleske volkscultuur van de lach. Tegelijkertijd wordt zijn werk door velen gezien als een bedekte aanval op de repressieve orthodoxie van het Stalinistische regime, waar Bakhtin al eerder in zijn leven in aanvaring mee was gekomen.

Carnaval creëerde een bevrijde vorm van spreken, los van etiquette en algemene noties van fatsoen. Deze vormen overleefden buiten het carnavalsseizoen, in de vorm van satire, schot- en smaadschriften, in voorstellingen en het theater, in de volkse taal van het marktplein, gevuld met scheldwoorden, obsceniteiten, en andere vormen van taalkundige innovatie en transgressie. Bijzonder aan de carnavaleske humor is dat de nar die de grappen maakt zich niet boven en buiten het object van spot plaatst. Hij bespot altijd ook zichzelf.

Dit type humor, zo stelde Bakhtin, was een integraal onderdeel van de schrijfstijl van Rabelais en zijn tijdgenoten (hij noemt ook Lof der Zotheid van Erasmus, volgens Bakhtin ‘een van de grootste creaties van de carnavaleske lach in de wereldliteratuur’) en zou vanaf de renaissance opgaan in de Europese literaire traditie. Een vergelijkbare techniek van humoristische transgressie zien we bij GeenStijl. Het weblog is in staat om dingen te zeggen die normaliter niet gezegd mogen worden, tot aan openlijk racisme en seksisme aan toe. Dit alles omdat GeenStijl op klassieke carnavaleske wijze alles belachelijk maakt. Ook zichzelf.

GeenStijl heeft dit natuurlijk niet zelf ontdekt. Het gaat terug op een bredere satirische traditie in Nederland. Bas Heijne schaarde het in een van zijn columns onder de ‘reviaanse ironie’. ‘De taal van de huidige politieke revolte’ aldus Heijne, ‘is doordrenkt van reviaanse ironie – het half ironisch, half serieus sarren van die brave progressieve weldenkenden met hun humorloze bedilzucht en morele zelfgenoegzaamheid. “Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden”, luidt de favoriete zin van veel revianen. Daar zit het allemaal in – die hyperbolische agressie die echte woede uitdrukt, maar tegelijk ook komische onmacht.’

We hebben hier niet van doen met de luchtige Socratische ironie, in de oorspronkelijke Griekse betekenis van het woord: eironeia, ofwel geveinsde onwetendheid. De Reviaanse ironie staat ver van de subtiele ironie van de Socratische dialogen, waarin Socrates zijn gesprekspartners in de val weet te lokken, door zich onnozel voor te doen en een serie van schijnbaar onschuldige en olijke vragen te stellen. Het vertoont misschien overeenkomsten met de ironie van Kierkegaard, die schreef dat het goed was als de harmonieuze droogstoppels in verwarring verkeerden, en niet meer wisten hoe te reageren op continue zelfparodie, onophoudelijk heen en weer geslingerd tussen geloof en ongeloof. Om uiteindelijk wat als grap bedoeld is serieus te nemen, en wat serieus bedoeld is voor een grap aan te zien. Kierkegaard zag ironie als een verkleedpartij, zij het vrij aristocratisch en verfijnd. Vergeleken daarmee is de Reviaanse ironie een grof gebekte variant, puttend uit de bevrijde en obscene taal van het carnaval.

‘Het beste van GeenStijl druipt van reviaanse ironie’, zo stelde Bas Heijne in zijn column. Het wekt weinig verwondering dat Reve ironie op vergelijkbare wijze heeft ingezet als GeenStijl: om de grenzen van wat gezegd kan worden te overschrijden. In 1972 schreef Reve in een gepubliceerde brief aan Simon Carmiggelt, dat migranten uit Suriname, Curaçao en de Antillen, ‘allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot’ gezet moesten worden, ‘enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer!’ Daar zou het niet bij blijven. In augustus 1974 publiceerde Reve het gedicht ‘Voor eigen erf’ in de Propria Cures, het befaamde satirische Amsterdamse studentenblad dat later door Theo van Gogh bestierd zou worden en weer daarna door Marck Burema, de latere hoofdredacteur van GeenStijl. ‘Gooi al dat zwarte tuig eruit, ons land voor ons. Op naar de Blanke Macht!’, zo eindigde het ironische en hyperbolische gedicht. Desondanks was er weinig of geen reactie na de publicatie. Dat veranderde toen Reve in 1975 het gedicht op theatrale wijze voordroeg op de Nacht van de Poëzie in Kortrijk. Een heuse rel was geboren. In een aflevering van Andere Tijden, genaamd Het raadsel van Reve, is te zien hoe de Surinaamse advocaat Haakmat na afloop van de voordracht Reve confronteert met de kritiek ‘vuil racisme’ te bedrijven. De reactie van Reve is opmerkelijk. De ironie blijkt plots verdwenen. ‘Omdat die negers in Suriname 125 jaar geleden slaven waren, is dat het recht dat hun achterkleinkinderen naar Amsterdam komen en van de steun leven?’, antwoordt een opgewonden Reve in de documentaire. Mulisch zou later schrijven dat Reve ‘door de dubbele bodem van de ironie is gezakt’: ‘Dat is het ironische van de ironie: dat zij het plotseling niet meer is. Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat de ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig, dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben…’

Het is de vraag of Mulisch de opzet van ironie helemaal goed weergeeft. Ironie bestaat juist bij de gratie van een zekere onbepaaldheid. Als de intenties van de ironicus overduidelijk zijn, dan is het effect gering. Het gelijk van Mulisch betreft eerder het feit dat in de ironie van Reve een duidelijk politiek engagement besloten ligt.

Een en ander wordt verduidelijkt door een ingezonden brief, die Reve naar het Parool stuurde als reactie op de consternatie die volgde op zijn optreden. Hij beschreef daarin zijn gedicht als een in ‘primitieve, vermoedelijk in al te vulgaire bewoordingen gestelde alarmkreet’: ‘Ik bedoel niet letterlijk wat in het gedicht staat, want ik ben geen racist en de neger heeft mijns inziens recht op een plaats onder de zon gelijkwaardig aan die van de blanke. Ik heb echter door dit brute middel bij miljoenen gehoor gevonden voor mijn betoog, volgens hetwelk de immigratiepolitiek van de Nederlandse regering, die massaal mensen binnenlaat, voor wie er in Nederland geen werk, geen woonruimte en geen toekomst is, en slechts verpaupering en criminaliteit in het verschiet liggen, tot een ramp zal moeten voeren.’

Los van de morele aspecten van deze kwestie, duidelijk is dat Reve zich hier opstelt als een politiek geëngageerd auteur. Ironie is hier niet het tegenovergestelde van engagement, zoals P.F. Thomèse onlangs nog beweerde. Voor het NRC schreef Thomèse een lange lofzang op de ironie, waar hij in zoveel woorden stelde dat de geëngageerde schrijver zich niet kan uitspreken over de wereld. De clownsneus van de ironicus blijft altijd zichtbaar, de vorm speelt hem parten. Zijn woorden zullen altijd anders begrepen worden dan ze zijn bedoeld. Wat we zien bij Reve is het tegenovergestelde: de clowneske ironie is juist een instrument ten dienste van het engagement. Het is bovendien een vorm van engagement die de tijd wonderwel heeft doorstaan (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Mulisch, wiens inzet voor Cuba niemand meer helemaal serieus kan nemen). Want in de huidige tijd is het precies deze clowneske, ironische en hyperbolische vorm van engagement die we terugvinden bij GeenStijl, waar men al zo’n tien jaar een continue en goedgestileerde alarmkreet slaakt.

2 thoughts on “Over GeenStijl en de dubbele bodem van de rechtse ironie

  1. De hufters van GeenStijl vertegenwoordigen in wezen door het dunne vernis van de maatschappelijke glans openbaar doorgebroken ware onderbuikgevoelens van de meute, van dat soort boerenkinkels die altijd in hun eigen primitieve egotripisme de boventoon willen voeren op het grond van niet altijd verborgen nationaal-chauvinistische oergevoelens.

    Het is de Primitiviteit van de boerenkinkel ongebreideldoveral de pest eraan heeft en die uiteindelijk! gaat zegevieren. Soort Revolutie maar wel antisociaal.

    Misschien wordt dit thans onze grootste bijdrage aan de Europese beschaving?

  2. Pingback: De Roze Khmer en de Vrijheid van Meningsuiting - Sargasso

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s