Home
Illustratie: Thijs Vissia

Illustratie: Thijs Vissia

Veertig jaar na de revolte van mei ’68 lijkt de heersende opinie er een te zijn van verongelijkte jaloezie, vermomd als ervaringswijsheid. In een reeks van terugblikkende krantenartikelen wordt voor goed afgerekend met een getroebleerde nagedachtenis. Auteurs proberen zich hardnekkig te onttrekken aan de gedachte dat  idealisme en engagement iets anders zouden kunnen betekenen dan de goede werken verricht door popsterren en societyfiguren. De soixante-huitards worden weggezet als zandbakidealisten, arrogante hypocrieten, zwak van zinnen en afgedwaalde terreursympathisanten, die in hun tomeloze naïviteit dachten dat de wereld veranderd kon worden; wij weten inmiddels beter. Het is de teneur van enkele maanden teleurstellende krantenlectuur.

Wat al dit afgeven op de 68’ers moet verbloemen – maar daar niet bijzonder goed in slaagt – is de bodemloze leegte van de hedendaagse politiek en het verlies van enige horizon waarlangs maatschappelijke ontwikkeling zou kunnen plaatsvinden. Waar zijn de utopische beelden van vandaag de dag? Waar zijn de toekomstbeelden überhaupt? Met uitzondering van de ontwikkelingsscenario’s van consultancyfirma’s, planningsbureaus en beleidsadviseurs, weigert men enige visie over een collectief wenselijke toekomst te bieden. De wereld is niet maakbaar, krijgen we te horen, wat onverlet laat dat zij dag na dag onherroepelijk wordt gereproduceerd.

Het is de stedelijke ruimte waar de geest van ’68 – in essentie een strijd tegen alle vormen van autoriteit – zich bij uitstek manifesteerde, niet alleen in Parijs, maar ook in Amerikaanse binnensteden, waar de gewelddadige repressie van de burgerrechtenbeweging ontaardde in grootschalige rellen; in de straten van Praag, waar de rebellie zich keerde tegen de Sovjetmacht; of in het kapotgeschoten Saigon, doelwit van het Vietnamese Tet-offensief. In Amsterdam werd de geest van ’68 belichaamd door de Provo- en Kabouterbeweging, de Nieuwmarktprotesten, en het algehele bewonersverzet tegen de toen gangbare vorm van autocratische stadsontwikkeling: de cityvorming. Een kleine revolutie vond plaats, die tot op de dag van vandaag de structuur van Nederlandse steden bepaalt.

Het is dan ook op het gebied van de stedelijke ontwikkeling – in de Nederlandse geschiedenis een van de meest vruchtbare terreinen voor de ontwikkeling van radicale politiek – waar een indrukwekkend stelsel van procedures is ontstaan om conflict te voorkomen en kritiek niet zozeer te pareren alswel onschadelijk te maken. ‘Interactieve beleidsvorming’, ‘open plan-processen’ met ‘klankbordgroepen’, ‘consultatieprocedures’, ‘co-productie’; de hoeveelheid termen die gebruikt worden om de participatie van bewoners in de hedendaagse stedelijke ontwikkeling te beschrijven geeft de indruk dat we in een heus direct democratisch Mekka leven. Uiteindelijk leiden de prachtige participatiemodellen echter tot een teleurstellende realiteit van voorlichting en informatieverstrekking met wat therapeutische inspraakavonden om de woede enigszins te doen bekoelen. Want echte keuzes zijn er niet meer te maken. De politiek houdt zich intussen schuil achter een haag van semantische ondoorgrondelijkheid: stedelijke ontwikkelingsplannen worden bewust opgesteld in een taal die geen enkele bewoner helemaal meer kan begrijpen. We leven in een zogezegd post-politiek tijdperk, waar het kader van de politiek vaststaat en door geen enkele partij wordt betwist, daarbinnen zijn kleine wijzigingen het onderwerp van intense onderhandelingen.

Het onbetwiste kader van het hedendaagse stedelijke beleid is dat van de ondernemende stad. Een ondernemersgeest heeft zich meester gemaakt van het stadsbestuur, waar de drang tot stedelijke concurrentie alle andere beleidsoverwegingen aan zich heeft onderworpen. Zoveel zorg als er wordt besteed aan het strategisch plaatsen van steden in wereldwijde stromen van menselijk en financieel kapitaal, zo weinig lijkt men geïnteresseerd om nog de bestaande stadsbevolking als uitgangspunt te nemen van enige integrale visie op de stadspolitiek. We zijn aangeland bij een duidelijk atopisch[i] tijdsgewricht, veilig verwijderd van enig utopisch gedachtegoed en tegelijkertijd van dystopische duisternis: geen Amerikaanse toestanden, nee dank u, maar generische toestanden te over.

Het enige vruchtbare domein van utopische politiek vandaag de dag lijkt zich in het digitale te bevinden, in de open source software-beweging FLOSS[ii], waar een maar al te reëel gevecht geleverd wordt om het publieke, open karakter van het internet. Alhoewel er wel pogingen zijn geweest om deze politiek uit het computerdomein te trekken en naar de analoge alledag te verplaatsen, zijn deze verrassend weinig aansprekend gebleken in de maatschappelijke mainstream. De eerste aanzet in Nederland om het cybernetische domein naar het stedelijke domein te vertalen komt vreemd genoeg van de vastgoedsector, die hun projecten beschrijven met behulp van de begrippen urban hardware (stedelijke infrastructuur) en urban software (stedelijke programmatuur). Het gaat niet meer slechts om de stenen. Projectontwikkelaars hebben ontdekt dat de echte toegevoegde waarde schuilt in het koppelen van de fysieke hardware (de gebouwde omgeving) aan sociaal-culturele software (praktijken, identiteiten, enzovoort). Vandaar dat projectontwikkelaars nu bijna routinematig kunstenaars en andere culturele actoren uitnodigen om op blijvende of tijdelijke basis ‘smaak toe te voegen’ aan nog op te leveren onroerend goed om zo de prijzen op te vijzelen. Bijna alle grootschalige projecten in Amsterdam worden nu vergezeld van nieuwe culturele instellingen, de Zuidas heeft een designmuseum, de Zuidelijke IJ-oever het Muziekgebouw, en het Overhoeks project het nieuwe Filmmuseum. Ook in de herstructurering van sociale huisvesting is culturele branding tot nieuwe trend uitgeroepen.

Interessant genoeg werden deze computerbegrippen software en hardware in de jaren ’70 vertaald naar de stedelijke ruimte door de pop-art architectuur groep Archigram[iii], om het gebruik van zachte en flexibele materialen te promoten zoals de opblaasbare bel in plaats van modernistische hardware van staal en cement. Samen met tijdgenoten als de Italiaanse architectuurgroep Archizoom en teksten als Jonathan Raban’s Soft City, lanceerde Archigram haar kritiek op het monotone en rationele functionalisme van het modernisme, en presenteerde de groep een meer organische conceptie van de stad als levend organisme (vergelijkbare opvattingen maakten Aldo van Eyck bij uitstek de architecturale verwoorder van de Nieuwmarktstrijd tegen cityvorming). De term urban software ontstaat dus in de jaren ’60 en ‘70, met software als de sociale programmatuur van een stad en hardware als haar infrastructuur. Zoals de situationisten experimenteerden met bottom-up software door psychogeografie en de dérive, zo ontwikkelden subjectieve, organische en bottom-up benaderingen zich tot een speerpunt van het toenmalige utopisch urbanisme. De Franse urbanist Henri Lefebvre, een belangrijke inspirator voor de stedelijke sociale bewegingen in de jaren zestig en zeventig, formuleerde in de jaren zestig ‘het recht op de stad’: ‘het recht van de stad betekent het recht van burgers en stadsbewoners, (…) om deel te nemen aan alle netwerken en circuits van communicatie, informatie en uitwisseling.’[iv]

In het licht van de huidige noties van steden als centra voor handel in en uitbuiting van kennis (de ‘creatieve kenniseconomie’), lijkt deze formulering van het recht op de stad noodzakelijker dan ooit tevoren, en intrinsiek verbonden met de politiek van open source. Want in de neoliberale stad wordt deze vrijzinnige benadering van software vervangen door een steeds strakker gereglementeerde en gecodeerde versie, waar stedelijke programmatuur steeds vaker in dienst komt te staan van eng economisch functionalisme. Door de introductie van gedragscodes, plaatselijke verordeningen en een verhoogde politie-inzet, worden straten schoongehouden van niet-gesanctioneerde straatbeelden en ongewenst gebruik. Middels het creatieve stadsbeleid bemoedigt en promoot de neoliberale stad de toestroom van hoogopgeleiden, terwijl op creatief publiek domein zoals onderwijs en de cultuursector juist bezuinigd wordt en lagere opleidingsniveaus al tijden in crisis verkeren. Noties van cultureel en creatief ondernemerschap worden dominant in de eerder op politiek-esthetische overwegingen gestoelde culturele sector. Cultuur als consumptieproduct ontwikkeld zich zo tot een belangrijk middel in de stedelijke imagostrijd. Daarmee wordt culturele branding een poging tot het construeren van concurrerende stedelijke software-producten, die dienen om de stedelijke ruimte economisch zo gunstig mogelijk te ‘programmeren’. De neoliberale stad wordt zo de Microsoft van de ruimtelijke kenniseconomie; zij verkiest branding boven inhoud en weigert haar broncode – haar politieke agenda – openbaar te maken. Met de ‘kernel’[v] van de stad steeds meer gericht op interstedelijke concurrentie, heeft beleid geen legitimatie meer nodig – de behoefte om een ‘Topstad’ te zijn is al reden genoeg.  Het lijkt een haast onvermijdelijke noodzakelijkheid om als reactie op deze tendens een programma in het leven roepen dat de eisen van de FLOSS-beweging vertaalt naar de stedelijke ruimte. De realisatie van een publiek domein dat zich toelegt op het van onderaf produceren van kennis en macht, en een open stedelijke broncode welke participatie aanspoort in plaats van bemoeilijkt; dat zijn in ieder geval twee essentiële ingrediënten van een nog nader te bepalen receptuur van het open source urbanisme.

Literatuur:

Byvanck, Valentyn (ed.). Superstudio: The Middelburg Lectures (Middelburg: Zeeuws Museum, 2005)

Chtcheglov, Ivan. ‘Formulary for a New Urbanism’, trans. Ken Knabb, Interactivist Info Exchange, August 2006, http://info.interactivist.net/article.pl?sid=06/08/25/191240&mode=nested&tid=9

Hall, Tim and Phil Hubbard (eds). The Entrepreneurial City. Geographies of Politics, Regimes and Representation. (West Sussex: John Wiley & Sons, 1998)

Lefebvre, Henri. The Production of Space, trans. Donald Nichelson Smith (Oxford, Blackwell, 1991)

Raban, Jonathan. Soft City, (London: Hamilton, 1974)

Ratingen, Bart van. ‘Ik Zie Ik Zie Wat Jij Niet Ziet, Vijf Ontwikkelaars over de “Creatieve Stad”, haar Mogelijkheden en haar Beperkingen’, Real Estate Magazine, May 2006.

Gepubliceerd in Open # 15, 2008

Noten:


[i] Atopie gebruik ik hier in de zin van de non-plek, de dominantie van het generische. Zie het essay ‘On Atopia’ van de Italiaanse architect Vittorio Gregotti: Gregotti, V. Inside Architecture. (Cambridge, MIT Press, 1996)

[ii] Zie het artikel van McKenzie Wark  ‘Copyright, Copyleft, Copygift’.in Open. Cahier over lunst en het publiek domein, jaargang 6, nr. 12 (NAi Uitgevers i.s.m. SKOR, 2007)

[iii] Ribeiro, F.M,  Spitz, R. Archigram’s Analogical Approach to Digitality. In: International Journal of Architectural Computing. Vol. 4, no. 3, pp. 20-32. Sept. 2006

[iv] Lefebvre, H. Writings on Cities, (Oxford: Blackwell, 1996), pp.194 -195.

[v] In de computerwetenschap is ‘de kernel’ het centrale component van de meeste computer besturingssystemen.   De belangrijkste taak van de kernel is het beheren van de systeemhulpbronnen, wat neerkomt op de communicatie tussen de software en de hardware van de computer.  In haar stedelijke metafoor is de kernel daarmee het centrale machtspunt van de stad: de governance structuur die zich rond het gemeentebestuur heeft ontwikkeld. Voor meer over kernels zie: Wulf, W. et al. (1974). “HYDRA: the kernel of a multiprocessor operating system“. In: Communications of the ACM 17 (6 ) 1974.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s