Naar een politiek voorbij de dualiteit van staat en markt

Op weg van Breukelen naar de Vinkeveense plassen, met de schaatsen onder de arm, liep ik met mijn vader langs zwembad de Meent. De weg die ons daar naartoe bracht, door een pittoresk polderlandschap, had eenzelfde naam. Weinig van het voorbijkomend schaatspubliek zou er waarschijnlijk een moment bij hebben stilgestaan. De ijskoorts eiste alle aandacht op. Voor mij was het echter een interessant gegeven. De meent is de naam die werd gegeven aan een stuk grond dat door boeren gemeenschappelijk werd beheerd. Het gebruik werd niet gereguleerd door een eigendomstitel, maar door gebruikersrechten en -plichten. Overal in het land zijn er zo overblijfselen te vinden van vormen van gemeenschappelijk eigendom, die zich niet laten reduceren tot staat of markt. Deze eigendomsvormen staan internationaal bekend als de ‘commons’, en spelen een centrale rol in huidige politieke debatten. Voor links is het een essentiële notie. Enerzijds verbindt het verschillende vormen van hedendaags politiek activisme met elkaar, van anticopyright en internet activisme, tot Occupy en de milieubeweging. Anderzijds maakt de commons het mogelijk voorbij de ingesleten dualiteit van staat en markt te denken. Het is een notie die ons leert dat de horizon van vergemeenschappelijking die Den Uyl in de jaren zeventig voorstond, niet per se verstatelijking hoeft te betekenen. Voor velen is het daarmee een sleutelingrediënt voor het formuleren van een nieuw links verhaal.

Historische referenties

De notie van de commons was tot voor kort een vrij obscuur fenomeen. Relevant hoogstens voor een enkele gespecialiseerde econoom of historicus. De oorsprong van de term is te herleiden tot het Romeinse recht, dat verschillende eigendomsvormen onderscheidde, waaronder Res Publica (publiek eigendom), Res Privata (privé-eigendom) en Res Communes (gemeenschappelijk eigendom). Onder de laatste noemer plaatsten de Romeinen allerlei middelen waarvan het gebruik van de een, dat van de ander niet noodzakelijkerwijs uitsluit, of waar domweg geen eigendomsverwerving mogelijk is. In het laatste geval dacht men aan de zee, de lucht, en andere natuurlijke hulpbronnen die zich niet eenvoudig laten lenen voor afbakening en toe-eigening.
Een andere belangrijke referentie is de analyse van Marx over de omheining van de gemeenschappelijke boerengronden in de 16e en 17e eeuw, de zogenaamde ‘enclosures of the commons’. De omheining was een proces van grootschalige privatisering van wat tot dan toe gemeenschappelijk eigendom was, een sleutelmoment in het wordingsproces van het kapitalisme. Marx sprak erover als ‘oorspronkelijke accumulatie’: een proces ‘waarin grote massa’s mensen plotseling en met geweld werden losgescheurd van hun bestaansmiddelen en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd’. In Nederland kenden we vergelijkbare gemeenschappelijke gronden, zoals de eerder genoemde Meent, de Mark en de Brink, ten onder gegaan in het Nederlandse proces van modernisering, privatisering en ruilverkaveling. Velen kennen de begrippen enkel nog van de straatnamen, natuurgebieden en dorpspleinen die ernaar vernoemd zijn. Lange tijd was dit de voornaamste manier waarop er over de commons werd gesproken: als een historische anekdote. Sinds kort staat de notie echter weer in het brandpunt van de aandacht. Ditmaal niet als een eigenaardigheid uit een ver verleden, maar juist als onderdeel van de voorhoede van nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.

Het politieke nut van een common

In de week voorafgaand aan mijn schaatsexpeditie bezocht ik een lezing van de politiek filosoof Michael Hardt bij de Universiteit van Utrecht. Voor een zaal gevuld met internationale studenten (de Nederlandse studentenpopulatie is op een of andere manier altijd danig in de minderheid bij dit soort evenementen, vraag me niet waarom) vertelde Hardt over de common, in relatie tot Occupy en zelfs de liefde, waarbij hij zich onverwachts ontpopte als een hedendaagse Erich Fromm. Michael Hardt is samen met de Italiaanse autonomist Antonio Negri een van de vooraanstaande denkers op het gebied van de commons. Hun laatste boek Common Wealth (2009) is een verkenning van de politieke mogelijkheden van het begrip. Net als veel andere hedendaagse filosofen gebruikt Hardt daarbij liever het begrip common (zonder de s). Hij is beducht voor een nostalgische romantisering van de premoderne, prekapitalistische vorm van de commons. Hardt is eerder geïnteresseerd in de vertaling van deze eigendomsvorm naar het heden, binnen het geavanceerde kapitalisme van nu. Toegankelijkheid, zelfbeheer en open besluitvorming zijn daarbij centrale kenmerken, volgens Hardt. De common wordt zo een manier om het publieke domein als zodanig opnieuw te overdenken, als iets dat niet noodzakelijkerwijs onder curatele van de overheid staat. In het Nederlands laat de term common zich in deze zin (als niet-statelijk publiek domein) het beste vangen onder de noemer gemeengoed.
Hardt onderscheidt twee vormen van gemeengoed. In de eerste plaats de aarde met haar natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen, waar effectief een vorm van schaarste heerst. Politieke bewegingen die zich op dit thema roeren, proberen het gemeengoed te beschermen tegen verdere exploitatie. Hardt gaf als voorbeeld een protest tijdens de klimaattop in Kopenhagen, waar demonstranten een spandoek omhoog hielden met de tekst: ‘There is no planet B’. Naast het terugdringen van het exces aan exploitatie richten sociale bewegingen zich ook op de strijd om zelfbeheer. Zo zijn de succesvolle protesten tegen de privatisering van de gemeenschappelijk beheerde watervoorziening in Bolivia een voorbeeld voor velen. De tweede vorm van gemeengoed die steeds meer onder de aandacht komt, zijn juist onuitputtelijk omdat ze vrijuit te reproduceren zijn. Denk in het bijzonder aan digitale goederen, waarbij gemeenschappelijke reservoirs gevormd worden van beelden, teksten, ideeën, ontwerpen en/of software die over het internet vrij gedeeld worden onder een zogenaamde creative commons (of copyleft) licentie, als open source software, of als een website als Wikipedia. In tegenstelling tot de bovengenoemde milieubeweging, bepleiten bewegingen op dit terrein juist voor een einde aan de schaarste (die in hun ogen kunstmatig in stand wordt gehouden door het huidige regime van auteursrechten en intellectueel eigendom). Wat in bredere zin de Free Culture Movement wordt genoemd, zet zich in voor het open karakter van het internet onder de slogan: ‘information wants to be free’. We moeten hier denken aan de recent door internet activisten opgerichte kerk van Kopimi in Zweden, die wereldwijd de mondhoeken in opwaartse beweging kreeg door CTRL-C en CTRL-V officieel erkend te krijgen als religieuze handelingen. Voor Hardt beperkt deze laatste, onuitputtelijke vorm van gemeengoed zich echter niet tot het digitale, maar is zij ook te vinden in de taal, en in de cultuur en socialisatie in bredere zin. Deze gemeenschappelijke bronnen spelen een steeds belangrijkere rol in het hedendaagse kapitalisme, waar taal, creativiteit en menselijke coöperatie centraal staan in het productieproces. In die zin wordt ook het experiment van Occupy om haar eigen zelfgeorganiseerde democratische institutie vorm te geven, door velen verbonden met het gemene.

Privatisering en verstatelijking

Een oud Nederlands gezegde luidt dat wat in het gemeen wordt bezeten, door elkeen wordt vergeten. Vaak realiseren we ons niet dat er nog een derde eigendomsvorm bestaat. Dat wordt pas duidelijk op het moment dat gemeengoed bedreigd wordt door verstatelijking of privatisering. Een fascinerend voorbeeld van het laatste is het verjaardagsliedje Happy Birthday, dat in de Verenigde Staten tot privébezit is gemaakt. De gelukkige eigenaar is op het moment de Time-Warner Corporation die er volgens Wikipedia in 2008 nog een slordige twee miljoen mee verdiende. Het zou theoretisch mogelijk zijn voor de politie om een heel verjaardagsfeestje met ballonnen en al op te pakken wegens het schenden van het intellectueel eigendom. Op dezelfde wijze heeft Heineken in Nederland zich de uitdrukking “Biertje?” toegeëigend. Andere vormen van privatisering vinden we in wetenschappelijke hoek, waar uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften elk jaar weer miljarden verdienen met wetenschappelijke kennis die gemeenschappelijk is geproduceerd. Het besef begint door te dringen dat een dergelijke privatisering van intellectueel eigendom het wetenschappelijke proces eerder afremt dan bevordert.
Een interessant voorbeeld van verstatelijking is de veiling van de telecomlicenties in Nederland. Er is een gemeengoed, de frequenties in de lucht, waarvan de staat zich het recht toe-eigent om gebruikersrechten te verkopen. De veilingen leveren telkens vele miljarden op. Maar het zijn miljarden die vervolgens doorberekend worden aan de klanten van de telecombedrijven. De facto is het een extra belastingheffing voor het gebruik van een infrastructuur die in theorie gratis beschikbaar is. De meest bekende vormen van verstatelijking dateren meestal uit vroeger tijd. Denk bijvoorbeeld aan de woningbouwcorporaties, ooit coöperatieven en verenigingen die gemeenschappelijk beheerd werden vanuit een bepaalde beroepsgroep of politieke organisatie.

Big Society, Blue Labour

De terugkeer naar dergelijke gemeenschappelijk beheerde sociale voorzieningen staat inmiddels weer bovenaan de politieke agenda, in het bijzonder in Groot Britannië. Het centrale idee in de discussies over Big Society en Blue Labour, de toekomstvisies van respectievelijk de Conservatieven en New Labour, is het teruggrijpen op een politiek van the common good. Hierbij wordt het maatschappelijk middenveld aangesproken om op coöperatieve wijze invulling te geven aan sociale voorzieningen waarin de staat niet meer kan voorzien. Het probleem van deze politieke discussie is echter dat het in werkelijkheid een verkapte bezuinigingsagenda is. De overheid trekt zich op radicale wijze terug uit de samenleving en verkoopt dit met een sociaal-christelijk sausje van vrijwilligerswerk en coöperativisme. Van een daadwerkelijk visie op de mogelijkheden van een coöperatieve economie is geen sprake. Zo wordt er door de Conservatieven bezuinigd op de bibliotheken, met het idee dat die voortaan wel door vrijwilligers uit de gemeenschap gerund kunnen worden. Wat hier in werkelijkheid wordt voorgesteld, is een vergroting van het totale aantal door de bevolking gewerkte uren, zonder enige vorm van vergoeding. En dit alles met een beroep op gemeenschapszin. Marx zou vast bewonderend geknikt hebben.
Er zijn echter ook positieve voorbeelden. Een interessant Nederlands voorbeeld van een coöperatieve voorziening is de kinderopvang. Groepen ouders hebben samen crèches opgezet, als alternatief voor de reguliere kinderopvang die door excessieve prijzen en wachttijden steeds meer ouders (voornamelijk moeders) dwingt om thuis te blijven. Het werk in de coöperatieve crèche wordt zoveel mogelijk verdeeld over de participerende ouders. Elke ouder brengt een dag in de week, of in de twee weken in de crèche door, afhankelijk van de grootte van de groep. Het voordeel is dat de crèche een stuk goedkoper is. Door al het vrijwilligerswerk bevindt het zich voor een groot deel buiten de formele economie. Er zijn nu enkele van deze crèches verspreid over het land die met succes gerund worden, maar deze moeten waarschijnlijk binnenkort hun activiteiten stoppen. De regering heeft net een wet te hebben aangenomen die impliceert dat alleen degenen met de juiste (drie jaar durende) opleiding een crèche mogen draaien. Wat je doet afvragen wanneer ook het beroep ouder vergunningsplichtig wordt.
Het is op zich niet moeilijk voor te stellen dat een significant deel van de kinderopvang op deze wijze georganiseerd zou kunnen worden in Nederland. En dat het daadwerkelijk een verbetering van het leven van ouders zou kunnen bewerkstelligen (en misschien zelfs het sociale weefsel in een wijk zou kunnen versterken). Een interessante bijkomstigheid is dat een dergelijke stap effectief zou leiden tot een economische krimp, aangezien dit type vrijwilligerswerk niet wordt meegenomen in de reële economie. Veel van het beleid was er nu juist op gericht om onbetaalde zorg in de reële economie te trekken en er een markt van te maken, onder andere door opa en oma een gastouder subsidie te geven. Als het op coöperatieve wijze zou gebeuren, zouden de basisaannames van het beleid op de helling gezet moeten worden.

De actualiteit van de verdeling van macht, kennis en inkomen

Wat dit voorbeeld hopelijk laat zien, is dat het voor links interessant is om gemeengoed verder uit te denken als een derde organisatielogica, buiten staat en markt. In de inmiddels klassieke tekst de Smalle Marge van Democratische Politiek, beschrijft Joop den Uyl het linkse project als het streven naar een eerlijke verdeling van macht, kennis en inkomen:

“In allerlei opzicht staan wij aan het begin van veranderingen in de maatschappelijke structuur die nodig zijn geworden als gevolg van de veranderingen in de technisch-economische onderbouw. Die noodzakelijke wijzigingen kunnen het best met de term ‘vergemeenschappelijking’ worden samengevat. […]De greep van de gemeenschap en de gemeenschapsorganen op vitale economische beslissingen zal verder moeten worden vergroot, mede ter wille van het behoud van zuivere lucht, schoon water en een beetje stilte. […]De groei van nieuwe bestuurstechnieken in staat en bedrijf geven aan het nemen van beslissingen in toenemende mate een technisch karakter. Maar techniek kan en mag nooit de doeleinden van een samenleving bepalen. Intussen geeft de huidige ontwikkeling in de keuze van de middelen een steeds grotere macht aan technocraten.”

Is het mogelijk een dergelijk project in de huidige tijd te denken? Het is opvallend hoezeer Den Uyls denken op het eerste gezicht overeenkomt met dat van autonomisten als Hardt, die beweren dat de opkomst van de kenniseconomie heeft geleid tot een centralere rol van vormen van gemeenschappelijkheid en coöperatie in de meest geavanceerde sectoren van de economie (denk aan het Toyotisme, dat met haar taakgroepen en bedrijfskringen illustratief is voor de toegenomen importantie van teamgeest in de bedrijfsvoering). Hardt pleit voor een grotere rol van de gemeenschap, in het beschermen van gemeengoed als lucht en water. Het verschil is echter dat bij Den Uyl ‘vergemeenschappelijking’ als verstatelijking wordt begrepen. Deze groei van de staat wordt door Den Uyl gelegitimeerd met een beroep op verdere democratisering:

“Vergemeenschappelijking en democratisering als de centrale taken voor de komende jaren zijn elkaars spiegelbeeld. Zonder verdere vergemeenschappelijking van de beschikking over de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en technische ontwikkeling schampt democratisering af. Zonder doelbewuste verbreding van de besluitvorming leidt vergemeenschappelijking tot nieuwe bureaucratie.”

We weten inmiddels, dat deze democratisering is stukgelopen. Dat de gelijkstelling van de linkse belofte van emancipatie met een telkens uitdijend overheidsapparaat, op een gegeven moment op haar grenzen moest stuiten. We weten dat met Paars de macht werd overgedragen aan bestuurders en technocraten. Dat de techniek en de middelen de doeleinden zijn gaan overheersen in de politiek. We weten ook dat het rechtspopulisme vanaf Fortuyn groot is geworden, mede dankzij een succesvol beroep op de breed levende afkeer van overheidsbureaucratie en technocratische politiek. De dreiging is reëel dat de recente ontwikkelingen in Europa, waar ongekozen technocraten aan de macht zijn gekomen, tot eenzelfde soort backlash kunnen leiden.

De vraag is of het mogelijk zou zijn om de linkse horizon van Den Uyl opnieuw te formuleren, uitgaande van de nieuwe economie, uitgaande van vormen van organisatie die zich niet beperken tot markt of staat. Het denken over de commons en de digitale economie biedt mogelijk ingrediënten om het streven van Den Uyl te vernieuwen en aan te passen aan de huidige tijd. In het internet in het algemeen en het anti-auteursrechten activisme in het bijzonder bevindt zich een groot potentieel aan vergemeenschappelijking van kennis. Daarmee lijkt Den Uyl zijn beroep op vergemeenschappelijking en democratisering actueler dan ooit. Het gaat erom, nieuwe vormen te vinden.

Deze tekst is verschenen in Tijdschrift de Helling Jrg. 25, nr. 1 Lente 2012

Tagged with: