De steen in de vijver: ‘De Nieuwe Demo­cratie’ van Willem Schinkel

Door Samuel Vriezen en Merijn Oudenampsen

In zijn boek ‘De nieuwe democratie – Naar andere vormen van politiek’ is Willem Schinkels greep op de politieke werkelijkheid van Nederland zeer veelomvattend.

Een breed scala aan onderwerpen wordt behandeld in pittige essays. Voor elk deelprobleem smeedt Schinkel steeds originele begrippen, die vaak weer opgaan in de grotere lijn van het betoog. Gedachten worden aaneengekoppeld met een soort improvisatorische virtuositeit, complete polemieken zijn soms scherp gecondenseerd in een bijzin.

Het boek is op de huid van de actualiteit geschreven: het bevat veel analyses die nog heel recent waren op het moment van verschijnen in maart dit jaar, bijvoorbeeld van David Van Reybroucks G1000-project, de Occupy-beweging en de laatste editie van het ‘Sinterklaas is racisme’-debat, naar aanleiding van de zonder meer racistische arrestatie van activist/kunstenaar Quinsy Gario.

Dat maakt Schinkels tekst plezierig en opwindend om te lezen, zelfs al neigt zijn grote greep soms naar het abstracte en kost het enige inspanning om zijn betoog te overzien. Maar dat is niet erg. Uiteindelijk komt de lezer er altijd uit. En bovendien, wat dit boek in de eerste plaats wil, is een nieuwe, onstuimige intellectuele energie injecteren in een publiek debat dat grotendeels in vermolmde termen en langs levenloze tegenstellingen wordt gevoerd.

Schinkel noemt onze politieke cultuur ‘museaal’ en spreekt van een ‘energiecrisis’. Expliciet zegt hij te schrijven voor iedereen die ‘jeugdigheid van geest heeft’ en gedreven wordt door de wens ‘om het bestaande kritisch te confronteren en het land opnieuw uit te vinden.’

Het is een veelgehoorde analyse dat de dominantie van de nieuwrechtse politiek zich uitstrekt tot de taal, door het zich eigen te maken van woorden als vrijheid, tolerantie, volk en democratie. Evengoed is de crisis op links een talige crisis, die zich uit in de oubollige sleetsheid van begrippen als solidariteit, racisme of kapitalisme. In dat licht is het niet verwonderlijk dat Schinkel bestaande debatten niet alleen wil voorzien van nieuwe analyses, maar tevens van een nieuwe taal.

Zijn essayistiek kenmerkt zich door een grote hoeveelheid vaak spitsvondige neologismen, die beter in staat zouden zijn om te duiden wat er speelt in de Nederlandse politiek dan de woorden die iedereen steeds van elkaar nabauwt in de krantenkolommen. Racisme moeten we vervangen door ‘culturisme’ om het ‘exorcistische discours’, de hedendaagse technieken van uitsluiting preciezer te beschrijven.

Dat populisme is niet authentiek, maar een ‘Realpopulisme’, eerder een pragmatisch onderdeel van het systeem dan een uitdaging ervan. Spijtoptanten, die zuiver onder druk van een ideologische mode berouw tonen dat ze vroeger het multiculturalisme aanhingen, zelfs al heeft dat nooit als politiek programma bestaan, zijn ‘multiculturealisten’.

Natuurlijk maakt dat Schinkel tot een doelwit van voorspelbare anti-intellectuele verwijten. Ons inziens moet zijn ambitie echter juist toegejuicht worden. Zijn voorliefde voor neologismen betekent in feite een verlangen om te komen tot oorspronkelijke theorievorming in het Nederlands, toegesneden op de Nederlandse situatie. En dat op zich is zeer hard nodig. We kunnen natuurlijk moeiteloos putten uit de enorm rijke kritische tradities uit Frankrijk, de Verenigde Staten of Slovenië om tot fundamentele politieke analyses te komen.

Zolang onze fundamentele critici echter vooral blijven denken in leenwoorden zal onze theoretische discussie moeilijk doorwerken in ons publieke debat. Alleen al daarom moeten we in onze handen knijpen dat er een boek is als De nieuwe democratie. Kopen en lezen dus! Maar daarna moet wel de vraag komen naar wat Schinkels programma dan behelst, en of zijn neologismen de juiste zijn.

Een ander populisme

Het is precies Schinkels zeer veelomvattende opzet die het lastig maakt om heel secuur zijn programma of visie te reconstrueren. Het boek bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel zich richt op het uiteenzetten van een filosofische achtergrondvisie, en het tweede deel meer concrete analyses bevat waarmee Schinkel diverse debatten wil openbreken.

In de praktijk echter is Schinkels schriftuur steeds gemengd en bevatten beide delen afwisselingen van analyse, theoretische passages, polemiek en alternatieven. Daarmee wordt de structuur van het boek wat losjes, en ontbreekt een nauwgezette opbouw van zijn begrippenapparaat. Ook de breed uitwaaierende onderwerpen maken het niet eenvoudiger een centraal argument te lokaliseren. Het boek is eerder opgebouwd rond samenhangende clusters van thema’s en posities.

Een van de hoofdlijnen, met name in het eerste deel, is de analyse van het populisme. Voor Schinkel is het reëel bestaande populisme in Nederland een vervalsing van wat populisme eigenlijk zou moeten doen. Populisme hoort volgens Schinkel bij democratie. In de democratie wordt ‘het volk’ geacht de macht te hebben. Dat gaat echter via een vertegenwoordiging, die nooit met ‘het volk’ samenvalt.

Deze representatie van het volk maakt daarom eigenlijk zijn eigen volk, maar laat daarbij altijd gaten vallen. Populisme zou idealiter precies dat tekort steeds moeten gebruiken als een motor om de democratie in beweging te houden. Democratie, volk en systeem moeten elkaar steeds opnieuw uitvinden.

De ellende met het Nederlandse populisme is dat het zich niet genoeg als uitdaging van het systeem opstelt. Ons systeem lijdt volgens Schinkel aan ‘depolitisering’, waarachter een langdurig sluipend proces van ‘desolidarisering’ schuilgaat. De heersende ideologie is er een van bezuinigingen, van ‘kredietradicalisering’, een ‘credo van het krediet’ oftewel een ‘geformaliseerd christendom van de schuld’, dat krankzinnige verwachtingen heeft van economische groei, maar feitelijk uitdraait op een ‘minimalisering van het leven’.

Dit schema is zo machtig dat zelfs de oppositie er altijd in meegaat – oppositie voeren is tegenwoordig vooral tegenbegrotingen presenteren waarin per saldo even hard bezuinigd wordt. Werkelijke politieke problemen worden binnen dit systeem steevast in managementtermen vertaald, om dan louter technocratisch te worden opgelost.

Politiek links heeft daar geen antwoord op, maar het populisme zoals wij dat kennen in feite ook niet. In plaats van een re-politisering van het beleid komt het met een politisering die Schinkel ziet als inauthentiek, omdat ze verloopt via lege discussies rond gemakzuchtige noties over vrijheid en veiligheid, en via integratiedebatten, die nieuwe culturele normen en werkelijkheden scheppen en een ‘culturistische’ agenda hebben – de hedendaagse update van het aloude racisme.

Maar eigenlijk zijn dat afleidingsmanoeuvres. De geproduceerde culturele tegenstellingen zouden echte politieke kwesties onder het tapijt vegen. Het systeem gebruikt ‘het principe Wilders’ als ‘politieke techniek’ om zijn eigen depolitisering te maskeren (de naam staat bij Schinkel consequent tussen aanhalingstekens om aan te geven dat het niet om de persoon Wilders gaat, waar pers en politiek door de persoon gebiologeerd schijnen). Uiteindelijk maken ook de populisten via gedoogconstructies gewoon beleid, in plaats van politiek.

Ja, het boek is net voor de val van het kabinet-Rutte geschreven. Wellicht heeft het Schinkel verrast toen Wilders (min of meer door zijn eigen populistische positie gedwongen) afstand nam van een radicale bezuinigingsagenda. Anderzijds hebben de politieke gebeurtenissen na de val van het kabinet zijn stelling misschien ook wel bevestigd, gezien het enorme gemak waarmee de Kunduz-coalitie (nvdr: de naam komt van de Afghaanse provincie Kunduz. De partijen die de nieuwe coalitie uitmaakten, hadden mekaar al eerder gevonden over de politietrainingsmissie in Kunduz), gedragen door de opluchting dat Wilders uit de weg was, tot overeenstemming kon komen over de politieke noodzaak tot snoeihard bezuinigen.

Onbevredigend aan Schinkels schema is echter het gemak waarmee hij Wilders’ culturele agenda afdoet als een dekmantel voor depolitisering. Als politiek gaat over het definiëren van maatschappelijke tegenstellingen, is het wegzetten van een miljoen ‘niet-geïntegreerden’ (discursieve etnische zuivering, zegt Schinkel) nauwelijks apolitiek te noemen.

Schinkel wil echter komen tot een ander populisme. Een populisme wellicht dat werkt vanuit een positie die hij ‘links van links’ noemt. Met die term wil hij aangeven dat parlementair links niet links genoeg meer is, niet meer genoeg in termen van utopische alternatieven denkt. Een links-van-links populisme zou misschien onze politieke cultuur uit de ban van zowel de ‘minimalisering van het leven’ als de vele verstarde debatten rond cultuur en vrijheid kunnen halen.

Amoeboïde concepten

Kenmerkend aan Schinkels denken is dat hij fenomenen bijna altijd lijkt terug te brengen tot een zekere systeemlogica, die schimmig en alomtegenwoordig van karakter is. Het gevolg is dat zijn concepten zich gedragen als amoebes, in de zin dat ze geen duidelijke begrenzing hebben en ertoe neigen om zich meer en meer uit te breiden, totdat ze de hele samenleving lijken te omvatten.

Zo stelt Schinkel dat de opvattingen van Wilders zelden meer zijn ‘dan consequent doorgevoerde versies van een politieke logica die heel het politieke systeem doortrekt.’ Deze logica is die van het Realpopulisme, een combinatie van bestuurlijke mentaliteit en populisme als stijl, volgens Schinkel het ‘feitelijke dwarsverband van de Nederlandse politiek’.

Populisme smelt zo samen met bestuurlijke politiek, politisering gaat naadloos over in depolitisering, in een monsterlijk totaalconcept. De oplettende lezer ontdekt dat het bij Schinkel immer het gehele systeem is dat hypochondrisch is, depolitiseert, multiculturealistisch is, desolidariseert. Er zijn geen dominante en ondergeschikte vertogen en praktijken die strijden om prominentie: eenheid regeert in Schinkels universum.

Hierdoor wordt het moeilijk om eigenheid, conflict en dialectiek te denken. En dat is een verarming. Want is het depolitiserende multiculturealisme waarover Schinkel spreekt, niet vooral te begrijpen als een synthese van enerzijds een politisering van het integratievraagstuk door Fortuyn en zijn opvolgers, en anderzijds een poging tot pacificatie en depolitisering door gevestigde partijen?

In Schinkels analytische stijl ontbreekt een dergelijke dynamiek. En kunnen de pasklare oplossingen van het Realpopulisme niet juist een politisering inhouden (wat te denken van de ‘kopvoddentaks’)? Wellicht staat Schinkel, bij gebrek aan een uitgewerkt normatief kader, aan de verleiding bloot om politisering (goed) en depolitisering (fout) als normatieve concepten te gaan gebruiken, en alles wat niet zijn vorm van politiek is, af te doen als depolitisering.

Eenzelfde verdenking laadt Schinkel op zich met zijn wat al te gemakkelijke onderscheid tussen enerzijds behoud en gerontocratie (Museum Nederland) en anderzijds vernieuwing en jeugdigheid van geest (de utopische kracht van ‘links van links’). Als we dit beeld aanhouden van het conservatisme in Nederland, als een ‘ideologisch uitgeput’, ‘verstard denken’, dat niets dan gebaande paden betreedt, wordt het moeilijk haar aantrekkingskracht te begrijpen.

Schinkel negeert de ideologische vernieuwingsdrang en vitaliteit van het Nederlandse conservatisme. Sinds jaar en dag kenmerkt het conservatisme zich door een paradoxale combinatie van radicale vernieuwing en nostalgisch behoud. Het volgt de logica van de beroemde strofe uit Visconti’s Il Gattopardo: ‘alles moet veranderen om alles bij het oude te houden’. Zo ook Fortuyns conservatieve pleidooi voor een terugkeer van de rol van de vader in wat hij ‘de verweesde samenleving’ noemde. Een terugkeer die hij combineerde met homo- en vrouwenrechten en de vrije seksuele moraal van de jaren zestig.

Dit is geen terugkeer naar de spruitjeslucht uit de jaren vijftig. Het conservatisme mobiliseert haar achterban via een eigen vreemdsoortige utopische horizon: een beroep op een in elkaar geknutseld verleden, dat in de toekomst gerealiseerd moet worden. Schinkels dualiteiten van behoud en vernieuwing, politisering en depolitisering schieten hier tekort.

Waar naartoe?

Dit maakt de vraag naar wat die ‘utopische’ horizon van Schinkel precies inhoudt, waarin bijvoorbeeld een nieuw nationalisme vorm kan krijgen, alleen maar urgenter. Want dat ‘de natie’ als begrip abstract is en altijd zal blijven, zorgt ervoor dat er altijd ruimte open blijft voor allerhande invullingen, waaronder ook wenselijke. Schinkel maakt dat zeker aannemelijk. Maar in de precieze invulling van die utopie, en van het programma ‘links van links’, blijft het boek onbevredigend.

Niet dat Schinkel geen voorstellen doet, en niet dat al die voorstellen niet goed zouden zijn. Een basisloon, minder groei, minder fixatie op werk en efficiëntie, vliegquota: dat zijn inderdaad leuke progressieve dingen voor de mensen. Maar de meest concrete en uitgewerkte oplossing die hij aandraagt – zijn ‘nieuwe Raad van State’ – blijft iets vrijblijvends en onbevredigends houden.

Het komt eigenlijk neer op een institutionele formalisering van de positie van de publieke intellectueel: agenderen en interveniëren in het publieke debat. Een institutionalisering die op zijn beurt weer een stiekeme depolitisering lijkt in te houden: een publiek debat waarvan de kaders door aangewezen specialisten worden bepaald, zodat zij er greep op kunnen blijven houden.

Zoveel moeite als Schinkel zich getroost om het bestaande te deconstrueren en inverteren, zo ongrijpbaar blijft zijn analyse van het nog-niet-bestaande. Na een uitgebreide analyse van de ‘desolidarisering’ is het jammer om een pleidooi te lezen voor het ‘komen tot nieuwe vormen van solidariteit’ zonder dat het de inhoud van die solidariteit bespreekt. Goed, we lezen dat solidariteit niet begrepen moet worden als een ‘socialistisch gelijkheidsideaal’, maar als ‘herinnering aan de connecties die aan de basis liggen van de precaire museale bouwsels die wij samenleving noemen.’

Dit alles ‘ter oriëntatie in de publieke discussie’– alsof Schinkel hoopt dat het werpen van een steen in die vijver misschien vanzelf zal leiden tot een nieuw solidariteitsconcept. Zo blijft ‘solidariteit’ bij Schinkel uiteindelijk erg wishy-washy. Had die steen niet zelf een eerste fundament moeten zijn?

Dit gebrek aan fundering speelt Schinkels droom van ‘Links van links’ parten. Schinkels stijl heeft sowieso iets grondeloos. Dat blijkt ook uit zijn benadering van het realisme. ‘Realisme’ is bij Schinkel vooral een retorische truc: zie zijn neologistische constructies Realpopulisme en multiculturealisme. In beide gevallen gaat het om een cynisch soort realisme, iets dat door een tegenstander als constructie van de realiteit wordt opgevoerd.

Dat is natuurlijk precies wat elke ingreep moet doen: de realiteit zelf opnieuw definiëren. Wie niet durft te zeggen dat de werkelijkheid anders is dan we altijd gedacht hadden, heeft uiteindelijk geen interventiekracht in enig debat. Zo heeft ‘multiculturealisme’ als begrip iets van een gemiste kans – dat spitsvondige woord kan heel andere associaties oproepen dan wat Schinkel ervan maakt. Het had bijvoorbeeld kunnen betekenen dat multiculturaliteit Reëel is in Lacaniaanse zin (om er dan toch nog een Fransman bij te halen), dus als een ondenkbare uitdaging voor al onze concepten.

Via dat begrip hadden we dan kunnen zeggen: we zeuren met zijn allen wel over multiculturalisme, maar we hebben nog nooit de realiteit van de multipliciteit van ‘cultuur’ gezien, of zelfs maar kunnen denken, en daarom moeten we al onze begrippen over cultuurpolitiek radicaal omgooien. Maar bij Schinkel is het vooral een – weliswaar nuttige – sarcastische term om een absurd en modieus politiek spektakel mee te benoemen.

Met het gebrek aan fundering lijkt ‘links van links’ uiteindelijk vooral als open plek te fungeren, die we nog met nieuwe solidariteitsconcepten moeten gaan invullen. Daarmee is Schinkels eigen positie zelf ook vatbaar voor zijn – zeker niet onterechte – kritiek op Occupy: ‘Het verlangen naar een contra-ideologie staat er centraal, veel meer dan een daadwerkelijke contra-ideologie.’

De nieuwe democratie is zeker een aanstekelijke en opwindende oproep tot hernieuwd denken, voor onze situatie en in onze taal. Hopelijk kan de energie die Willem Schinkel oproept in verdere boeken, van wie dan ook, dienen om nieuwe, solide, grondige conceptuele wapens te smeden. Want wie gansch het raderwerk stil wil zetten, heeft wel een machtige arm nodig.

Samuel Vriezen en Merijn Oudenampsen

* Samuel Vriezen (1973) is componist en auteur, en als redacteur betrokken bij nY, tijdschrift voor literatuur, kritiek en amusement

* Merijn Oudenampsen is socioloog en publicist. Hij is momenteel bezig met een promotieonderzoek op het gebied van politiek populisme bij de Universiteit van Tilburg

Tagged with: