De schoon­makers­campagne,­ voor­hoede van een nieuw vakbonds­reveille

Gepubliceerd in Socialisme en Democratie, jaargang 86, nr 9-10.

Resoluut stappen op 6 november 2007 zo’n vijftig mensen uit de metro bij de halte Amsterdam Amstelveenseweg. Ze dragen spandoeken, fluitjes, trommels, clownspakken en fel oranje vakbondsshirts. Iets later staan ze voor de gesloten deuren van het grote glaspaleis dat dient als hoofdkantoor van de Nederlandse ING bank. Niet getreurd. De achterdeur staat nog open. Alleen een tussendeur wordt nog met man en macht door enkele paniekerige bewakers vastgehouden, maar na enig duw- en trekwerk moeten ook zij zich gewonnen geven. Het lawaai van vijftig uitzinnige demonstranten vult de chique hal van een van de twintig grootste banken in de wereld. De absolute top en onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt ontmoeten elkaar.  Wat de ING bank overkwam, zou zich herhalen in het nabijgelegen ABN AMRO-hoofdkantoor, in de terminal van luchthaven Schiphol, bij ministeries in Den Haag, bij de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht en bij een lange lijst van bedrijven. Het was het bescheiden begin van een inmiddels alom bekende campagne in de schoonmaakbranche, een van de sectoren waar door outsourcing en flexibilisering de positie van werknemers sterk verslechterd is. Een nieuwe campagnestrategie moet een antwoord bieden op de verzwakte positie van de vakbond in de dienstensector, waar de arbeidsmarkt gekenmerkt wordt door fragmentatie en tijdelijkheid. Het is een van de meest beloftevolle initiatieven om een antwoord te vinden op wat sommigen de nieuwe sociale kwestie zijn gaan noemen.

De nieuwe sociale kwestie

De nieuwe sociale kwestie is die van de ‘precariteit’, soms ook wel bestaansonzekerheid genoemd. ‘Precariteit’ is een niet-bestaand woord, een neologisme, een vertaling van het Franse precarité, waarvan we in Nederland alleen het bijvoeglijk naamwoord ‘precair’ hebben, wat zoiets betekent als ‘twijfelachtig’ en ‘onberekenbaar’. Het woord is afgeleid van het Latijnse precare, bedelen, en ook in de Van Dale vinden we bij precair het synoniem ‘ter bede’: iets bezitten waarvan de rechtstitel elk moment weer ingetrokken kan worden. Precariteit is een problematiek die zich in Europa heeft aangekondigd onder veel verschillende namen. Op het eerste gezicht presenteert het zich in de media als generatieconflict. In Duitsland spreekt men van Generation Praktikum, of kortweg Generation P, een jonge generatie die van stage op stage leeft maar geen toegang krijgt tot de Duitse arbeidsmarkt. In Frankrijk leeft een vergelijkbaar gevoel onder de Génération Précaire, die in 2005 nog tot een algehele jongerenrevolte leidde tegen de verdere flexibilisering van de Franse arbeidsmarkt, het CPE (Contrat de Première Embauche). In Italië, Spanje en Griekenland wordt zij ook wel aangeduid met het gemiddelde maandelijkse inkomen dat wordt verdiend: de 1000-, 800-, of 700-euro-generatie. In alle gevallen betreft het een generatie die een toekomstperspectief heeft dat er grimmiger uitziet dan dat van haar ouders. De onrust onder wat nu de ‘verloren generatie’ wordt genoemd, kent een lange aanlooptijd. Zo verbond Mike Davis (een Amerikaans hoogleraar aan University of California, en redacteur van de New Left Review) in zijn commentaar op de Griekse jongerenopstand in 2008 al de woede op straat met een groeiend wereldwijd besef onder jongeren dat met de kredietcrisis de toekomst voor hen al bij voorbaat leeggeroofd is van elke belofte.[i]

Volgens dit type analyse is het precaire levensgevoel bij uitstek dat van een generatie die onbekend is met de zekerheden van de jaren zestig en zeventig: de baan voor het leven, het vaste contract, of zelfs die van de crisistijden in de jaren tachtig, toen voor jongeren de sociale zekerheid een van de weinig overgebleven zekerheden was. Een nieuwe generatie Europeanen is opgegroeid die, in tegenstelling tot hun ouders, leeft aan de hand van tijdelijke arrangementen, zowel wat betreft werk, huisvesting, onderwijs als wat betreft sociale zekerheid. Het is hoofdzakelijk deze versie van precariteit die de afgelopen jaren is aangegrepen door sociale bewegingen in Europa, met als belangrijkste voorbeeld de jaarlijkse Euromayday-protesten die sinds 2002 hebben plaatsgevonden in tientallen Europese steden.

Om deze opstanden slechts tot een generatiekwestie te beperken, is echter misleidend. Daarvoor is de impact van de herstructurering van de arbeidsmarkt en de inkrimping van de welvaartsstaat simpelweg te groot en te verstrekkend. Een veel algemenere realiteit van stedelijke precariteit houdt zich schuil achter de krantenkoppen over integratie, werkende armen, de nieuwe onderklasse, en achter de tendentieuze kopij over de opstand in de banlieues in 2005, de rellen in de Londense buitenwijken in 2011 en de nijpende situatie in de Amerikaanse binnensteden. We kunnen het lezen in het werk van de socioloog Loïc Wacquant, die zowel in de Verenigde Staten als in Frankrijk onderzoek heeft gedaan naar wat hij stedelijke marginaliteit noemt: zich opeenstapelende achterstanden, veroorzaakt door het samenkomen van klasse, etniciteit en woonomgeving. Maar de achtergronden van deze sociale problematiek – die veelal verbonden zijn met onderwijs en arbeidsmarkt – worden  overvleugeld en verbloemd door een alomtegenwoordige veiligheidsproblematiek en door de thematiek van etnische/ culturele segregatie.

In zijn boek Straf de armen uit 2010 benoemt Wacquant het huidige veiligheidsbeleid in de VS dan ook als een nieuw beleid van sociale onzekerheid: ‘De strijd tegen de straatcriminaliteit wordt het scherm waarachter de nieuwe sociale kwestie wordt verhuld: de veralgemening van onzekere, precaire loonarbeid en de impact daarvan op de leefruimte en op de overlevingsstrategieën van het stedelijk proletariaat.’ Wacquant staat niet alleen in deze analyse. Andere Amerikaanse sociologen, zoals Philippe Bourgeois en William Julius Wilson, zien casualisation – ofwel de herstructurering van de arbeidsmarkt – als achterliggende oorzaak van de huidige stedelijke problematiek in de VS. Voor de crisis van de jaren zeventig was de onderkant van de arbeidsmarkt gevuld met laagbetaald fabriekswerk, waar het relatieve gemak van de vakbond om te organiseren ertoe leidde dat men een minimale hoeveelheid rechten en zekerheden opbouwde. In de jaren tachtig werd de dienstensector de nieuwe motor van de economie, terwijl industriële werkgelegenheid drastisch kromp door automatisering en uitbesteding aan lagelonenlanden. Zekerheden van vroeger veranderden in onzekerheden: lage lonen, geen of gebrekkige contracten, flexibele arbeidstijden en onduidelijke sociale rechten. Migranten kregen ook nu bijna per definitie de zwaarste omstandigheden te verduren, zoals historisch vaak het geval is geweest. Maar een plek onder aan de sociale ladder is sinds deze jaren iets anders gaan betekenen. Richard Sennett wijst er in zijn boek The Corrosion of Character op dat er sporten zijn gaan ontbreken. De Amerikaanse droom van sociale stijging veranderde in de jaren tachtig in een realiteit van dead end jobs. In plaats van de complexiteit van deze problematiek onder ogen te zien koos men er in de Amerikaanse publieke opinie voor om problemen eenzijdig af te schuiven op culturele en morele tekortkomingen van de onderkant van de maatschappij. De kern van dit conservatieve discours is in het kort dat de sociaal-culturele achtergrond van de stedelijke armen, in tegenstelling tot sociaalstructurele factoren zoals de arbeidsmarkt, als oorzaak werd aangewezen voor hun problemen. Een nadruk op de gebrekkige normen en waarden van de gemarginaliseerde bevolkingsgroepen herleidde het probleem tot dat van persoonlijke verantwoordelijkheid: the deserving poor deden hun intrede.

Alhoewel de situatie in Europa en in Nederland op vele manieren van die in de VS verschilt, heeft de VS, zoals op veel terreinen, een grote beleidsmatige invloed op Europa gehad. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Wacquant signaleert dat Europese armoede amerikaniseert. Dit niet zozeer wat betreft de realiteit van de problemen – Europa kent tenslotte geen getto’s zoals de VS – eerder in de perceptie ervan: de focus op eigen morele verantwoordelijkheid. Het verhaal van de eerste en tweede generatie migranten in Europa wordt impliciet en expliciet vergeleken met dat van de Afro-Amerikanen en Latino’s in de Verenigde Staten. De entree van het Amerikaanse begrip ‘onderklasse’ in het Europese debat over grootstedelijke armoede wordt door Wacquant gezien als een teken aan de wand. In het gezelschap van dat woord, is namelijk ook de culturalisering en moralisering de oceaan over gekomen. Lezen we Paul Scheffers pleidooi voor een hernieuwd ‘beschavingsoffensief ’ van de etnische onderklasse[ii], of Theodor Dalrymple in Engeland, die wijst op de culture of poverty in de Engelse arbeidersklasse, dan zien we wat een dramatische impact Amerika heeft gehad op Europa, en wat een centrale plek de zogezegd ‘culturaliserende’ visie heeft gekregen in de publieke opinie. Het credo van eigen verantwoordelijkheid werd daarbij een van de terugkerende slogans van de kabinetten-Balkenende.

Laboratorium

Gelukkig exporteert de Verenigde Staten meer dan alleen de beleidsmatige praktijk die verantwoordelijk is voor de meest problematische sociale tegenstellingen in dat land. Het land functioneert ook als een laboratorium van verzet van onderop, waarvan de resultaten als een tegengif voor de dominante beleids- en bedrijfspraktijken hun weg vinden naar andere delen van de wereld. Een van de belangrijkste ontwikkelingen op dit vlak is de organisatie van migranten in vakbondscampagnes die totaal afwijkt van de bestaande praktijk van vakbondsorganisaties.

Tot voor kort werden migranten, en het flexibele, atypische soort arbeidsmarkt waar zij hoofdzakelijk van afhankelijk zijn voor hun dagelijks brood, als niet organiseerbaar gezien door de Amerikaanse vakbonden. In de hotels, fastfoodketens, groentemarkten, schoonmaak- bedrijven en supermarkten, in de huishoudelijke zorg en de vele kleine toko’s, stomerijen en winkeltjes werkt een leger van migranten, wier arbeidsomstandigheden geen issue van belang leek te zijn. Campagnes in de jaren tachtig zouden deze visie sterk veranderen. De Justice for Janitors-campagne in Los Angeles was de belangrijkste van deze campagnes, en heeft een haast legendarische reputatie opgebouwd. Ken Loach verfilmde de campagne in Bread & Roses, Mike Davis beschreef de miraculeuze overgang van pariah proletariat naar peaceful guerilla army in zijn boek Magical Realism.

De context voor de nieuwe campagne was een sterk veranderde arbeidsmarkt voor schoonmakers. De praktijk van outsourcing had de werkomstandigheden van schoonmakers in de gehele Verenigde Staten danig uitgehold. Werd vroeger de schoonmaak binnenshuis geregeld, in de zin dat schoonmakers gewoon op de loonlijst stonden van het desbetreffende bedrijf of de beheerder van het gebouw waarin zij werkten, in de jaren tachtig werd de schoonmaak uitbesteed aan gespecialiseerde bedrijven. In de daarop volgende, ongekende concurrentieslag voor de schoonmaakopdrachten werden de lonen en werkomstandigheden van de schoonmakers het belangrijkste slachtoffer. Het was nodig een nieuwe vakbondsstrategie uit te vinden, nu de schoonmakers niet meer in één gebouw te vinden waren, maar op flexibele wijze over de hele stad werden uitgezet.

Het antwoord van de Justice for Janitors-campagne was nauw verbonden met de specifieke sociale netwerken die de Latino-gemeenschap erop na hield. Kerken en buurtorganisaties werden bezocht, huisbezoeken afgelegd, NGO’s en politiek activisten werden betrokken bij de campagne. Een uitgebreid sociaal netwerk werd geactiveerd. Ook de achtergrond van de Latino’s speelde een grote rol. Velen waren veteranen van sociale bewegingen in Latijns Amerika – uit El Salvador en Guatamala bijvoorbeeld – en implementeerden deze ervaringen nu in de context van Los Angeles. Het was wat later social movement unionism zou gaan heten, in contrast met het dominante service model van business unionism, waar de leden een passieve rol hebben en de actieradius van de vakbond zich grotendeels tot het eigen kantoor beperkt. In plaats van de schoonmaakbedrijven zelf, werden de klanten, de inkopers van schoonmaakdiensten het doel. Confronterende acties en de praktijk van naming & shaming namen de plaats in van de symbolische protesten die eerder het gangbare repertoire van de vakbond waren. De directie van de betreffende bedrijven kreeg schoonmakers op bezoek bij liefdadigheidsfeestjes en luxe netwerkdiners. Het feest werd verstoord door meutes schoonmakers die met de mop en stofzuiger in de hand een redelijk inkomen eisten. De onzichtbaarheid die de schoonmakers eerder kenmerkte werd ingeruild voor een rol in de schijnwerpers, in het bijzonder toen in 1990 in L.A. een schoonmakersprotest bruut werd neergeslagen, en dat uitgebreid de media haalde. Het was pas vijf jaar later, in 1995 dat de Justice for Janitors-campagne een klinkende overwinning kon uitroepen. Maar met 90% van de schoonmakers georganiseerd, was een nieuw model geboren dat de vakbond SEIU (Service Employees International Union, de belangrijkste vakbond in de dienstensector) tot de grootste vakbond zou maken van de VS.

Precariteit in de polder

Al in zijn vroegste nationale iconografie, toegepast op munten, medailles, pamfletten, voorgevels en zegels, wordt Nederland gesymboliseerd door een tuin van overvloed, verdedigd door een brullende leeuw tegen buitenlandse agressie. Soms werd de tuin afgewisseld met een vette koe; de boodschap bleef hetzelfde: welvaart. In die periode, de vroege zeventiende eeuw, ligt de mythische oorsprong van de Nederlandse politieke cultuur van consensus en machtsdeling – het poldermodel – ontstaan uit de gezamenlijke strijd tegen het water. Het zijn deze twee elementen, economische overvloed en consensuscultuur, die er hoogst waarschijnlijk toe hebben geleid dat het fenomeen precariteit in Nederland milder en marginaler in verschijning is dan elders. Dit betekent overigens niet dat de trends die hier plaatsvonden niet vergelijkbaar zijn met die in de VS. Maar aan Nederland zijn wel de meest algemene vormen van precariteit voorbijgegaan, in belangrijke mate dankzij de matigende invloed van de vakbonden in het politieke overleg over de doorvoering van neoliberale hervormingen. De taart werd iets eerlijker verdeeld, en er was in Nederland simpelweg meer taart te verdelen dan elders.

De laatste jaren is sprake van een omslag. Een van de bepalende momenten was in de herfst van 2004, toen de regering-Balkenende II in een hevig conflict verwikkeld raakte met de vakbonden over het prepensioen en de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Toenmalig minister van Sociale Zaken, De Geus, stelde voor het belangrijkste instrument van de vakbonden, de CAO, niet meer algemeen bindend te verklaren, waarmee men het gehele poldermodel dreigde op te blazen. De representativiteit en dus legitimiteit van de vakbonden werd door de regering in twijfel getrokken, met de dalende ledentallen en vergrijzende achterban als belangrijkste argumenten. Krantenkoppen als Vakbonden over tien jaar verleden tijd, FNV dreigt te eindigen als museumstuk, Waarvoor heeft werknemer nog de vakbond nodig[iii] kenmerkten toen al enkele jaren de publieke opinie. Een grote demonstratie op het Museumplein in Amsterdam redde in de herfst van 2004 het gezicht van de vakbond, alsmede zijn positie aan de onderhandelingstafel, waarna de vakbond zich weer beperkte tot zijn gangbare rol als bureaucratisch onderhandelaar.

Acht jaar later is deze episode alweer bijna vergeten. Maar de crisis was slechts tijdelijk bezworen. Met de ‘hete herfst’ in 2004 kwamen spanningen aan het licht die tot op heden blijven opspelen. De vakbonden zijn steeds meer bekend komen te staan als belangenbehartigers van de oudere, vergrijzende generatie van babyboomers, van de insiders op de arbeidsmarkt. Kort na de protesten op het Museumplein werd met veel tromgeroffel het Alternatief voor Vakbond opgericht, dat deze kritiek in belangrijke mate zou gaan verwoorden. Het AVV repte van een generatieconflict, waarbij de jongeren voor de zekerheden van toch al gevestigde ouderen moesten betalen, zekerheden die de jongere generatie zelf ontbeerde in het dagelijks leven. In theorie kwam het AVV dus op voor de rechten van outsiders, de zelfstandigen, flexwerkers, uitzendkrachten en andere atypische werkers, wier belangen door de vakbonden geslachtofferd werden voor die van de insiders op de arbeidsmarkt. In die zin was het AVV de Nederlandse representant van vergelijkbare bewegingen rond precariteit elders in Europa. Zo deed bijvoorbeeld ook het Franse Génération Précaire de oproep dat zij niet wilde opdraaien voor de kosten van het pensioen van de gevestigde babyboomers.

Maar terwijl in Frankrijk en andere landen de verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt door de ‘precaire generatie’ werd aangevochten, was het Nederlandse AVV juist een groot voorstander van het openbreken van de arbeidsmarkt. De magische truc om de rechten van insiders en outsiders gelijk te trekken, was voor Mei Li Vos van het AVV om dan maar alles en iedereen te flexibiliseren. De positie van het AVV als breekijzer – niet als alternatief voor de vakbond maar als antivakbond – werd verder duidelijk door de expliciete steun die de organisatie kreeg van werkgevers en liberalen. Doordat het AVV bestond uit een groep van mediagenieke, hoogopgeleide carrièremakers, die hun eigen situatie betrok op die van hun hele generatie, koos het stelselmatig partij voor de winnaars van de flexibilisering, de hoogopgeleide job-hoppers, die van de wondere wereld van de opengebroken Nederlandse arbeidsmarkt weinig te vrezen hebben. Het verklaart misschien hun blindheid voor de belangen van laagopgeleide outsiders, die weinig tot niets te winnen hebben bij een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt.

De positie van het AVV maakt duidelijk waarom precariteit in Nederland nooit echt op de agenda is gekomen: de krapte op de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor hoogopgeleiden, heeft ertoe geleid dat onder de jongere generatie in Nederland een totaal andere houding heerst ten opzichte van flexibiliteit; er waren immers banen genoeg. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt echter is het een ander verhaal. De schoonmaaksector is een illustratief voorbeeld van hoe flexibiliteit en precariteit in Nederland samenhangen met zowel de problematiek van integratie als die van de toekomst van de vakbond.

Nederlandse schoonmaakbranche

Een rapport van ABN AMRO meldde vorig jaar dat de schoonmaakbranche de eer heeft een van de eerste sectoren te zijn die ‘profiteerde’ van outsourcing. Ook Nederlandse bedrijven die vroeger zelf schoonmakers in dienst hadden met een vast contract, zijn sinds de jaren tachtig het werk steeds meer gaan uitbesteden aan gespecialiseerde schoonmaakbedrijven om kosten te besparen. Dit heeft geleid tot een zeer harde concurrentiestrijd tussen de verschillende schoonmaakbedrijven om de laagst mogelijke prijs te kunnen bieden – de reden waarom de schoonmaak ook wel een dubbeltjesmarkt of vechtmarkt genoemd wordt. Net als in de VS bleken uiteindelijk de schoonmakers zelf de grootste verliezers van dit gevecht, aangezien hun arbeidsvoorwaarden de belangrijkste kostenpost was waarop schoonmaakbedrijven zijn gaan korten.

Dat gebeurde op verschillende manieren. Aan de ene kant simpelweg door een laag salaris uit te betalen – de lonen lagen tussen de € 9 en € 10 bruto per uur en behoorden tot de laagste van het land – aan de andere kant door het verhogen van de werkdruk – minder  schoonmakers per vierkante meter – en door het werk in stukken op te knippen. Zo reisden veel schoonmakers meerdere malen per dag van gebouw tot gebouw. Twee uur hier, drie uur daar. Tussendoor kregen ze niet betaald. Ziekteverzuim werd zoveel mogelijk ingeperkt door schoonmakers de eerste twee dagen van hun ziekteverlof zelf te laten betalen.

Ook werkten – en werken – schoonmakers grotendeels in deeltijd en op abnormale tijden. Het gevolg is een grote mate van onzichtbaarheid: men werkt in de late avond, in de vroege ochtend, maar ziet de rest van het (kantoor)personeel niet. De schoonmakers zien ook elkaar niet. Ze bouwen daardoor weinig sociale relaties op die ze kunnen gebruiken om een verbetering van hun positie te vragen. Veel schoonmakers maken deel uit van een nieuwe categorie werkende armen. De meesten zijn vrouw, en in de Randstad is een meerderheid eerste of tweede generatie migrant en zeer laag opgeleid: velen hebben niet meer dan een basisopleiding gehad en spreken vaak gebrekkig of geen Nederlands.

De schoonmaaksector is een tijd lang een soort vrijhaven geweest in Nederland, een laboratorium voor de implementatie van Amerikaanse bedrijfspraktijken zoals flexibilisering en outsourcing. Maar zoals gezegd kwam ook het antwoord op deze ontwikkeling uit de VS. Een campagne van FNV Bondgenoten kopieerde op succesvolle wijze de werkwijze van de Amerikaanse Justice for Janitors-campagne. Deze werkwijze, organizing genoemd, doorbreekt de gangbare opvatting om de vakbond te zien als een product dat simpelweg beter in de markt gezet moet worden – de vakbond als bureaucratische dienstverlenende organisatie. Organizing combineert een terugkeer naar de aloude vakbondspraktijk van het organiseren van werknemers op de werkvloer, met moderne registratie- en managementtechnieken die afkomstig zijn van de Amerikaanse verkiezingscampagnes.

In 2007 startte FNV Bondgenoten een landelijke campagne voor een nieuwe CAO voor schoonmakers. Allereerst werd een aantal strategische bedrijven en locaties geïdentificeerd waar veel schoonmakers werkten. Vervolgens werden op verschillende plekken – Den Haag, Schiphol, Utrecht, Maastricht – organizers van de vakbond actief om ontevreden schoonmakers te bereiken en bij elkaar te brengen. Gebouwen werden bezocht, schoonmakers gecontacteerd, bijeenkomsten georganiseerd. Kortom: de campagne bouwde een sociaal netwerk op van schoonmakers en ging langs in hun buurt om de moskee, buurtorganisaties en activisten te betrekken.

Een van de problemen van de outsourcing van schoonmaakwerk is dat de schoonmaakbedrijven gedwongen worden de lonen laag te houden, omdat ze anders opdrachten verliezen aan concurrenten. Hun klanten hebben de macht om dingen te veranderen, om het budget te vergroten, maar zij ontkennen bijna altijd hun verantwoordelijkheid. Net zoals bij Justice for Janitors waren daarom in de schoonmaakcampagne niet de schoonmaakbedrijven zelf het doelwit van de acties, maar de afnemers. Bij deze acties werd een escalatietactiek gebruikt: de bedrijven ontvingen eerst een beleefde brief met het verzoek de looneisen van de schoonmakers publiekelijk te steunen. Daarop kwam bijna nooit een reactie. Vervolgens kwam een delegatie langs van schoonmakers die een gesprek eiste met de leidinggevenden binnen het bedrijf en vroeg om steun voor de hogere looneis. Deze ontkenden meestal hun verantwoordelijkheid. Vervolgens gingen schoonmakers flyers uitdelen voor de deur, niet veel later volgden kleine en grotere acties: picket lines, bezettingen en lawaaidemonstraties: de erder genoemde bezetting van het ING hoofdkantoor, maar ook de uitreiking van de ‘Gouden Drol’ aan de Nederlandse Spoorwegen als slechtste werkgever in de schoonmaak.

De meeste bedrijven die met de campagne geconfronteerd werden, waren zich niet bewust dat zij enige verantwoordelijkheid droegen voor de activiteiten die ze uitbesteedden. Ook al deden ze dat voor een prijs die zo laag was dat mensen er onmogelijk een leefbaar loon aan konden overhouden. Soms is dat schokkend. Zo ontdekte het ministerie van Sociale Zaken dat het de schoonmaak had uitbesteed aan een bedrijf dat de primaire mensenrechten schond door schoonmakers het recht niet te gunnen zich te organiseren. Het basale idee dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt lonen worden uitbetaald waarmee mensen niet redelijk in hun levensonderhoud kunnen voorzien, is nieuw voor veel mensen die kennis maken met de campagne.

Na een escalatie van acties in december 2007 kwam een eerste en onverwachte overwinning in januari 2008, in de vorm van een sterk verbeterde CAO. Inmiddels is de organisatiegraad significant gegroeid, en verbeteren de arbeidsvoorwaarden gestaag. Dat een van de bereikte doelen gratis Nederlandse les is, maakt duidelijk dat de symbolische betekenis van de schoonmakerscampagne verder gaat dan enkel inkomen. Net zoals de Amerikaanse campagnes is de schoonmakerscampagne in Nederland daarmee ook een poging om de discussie rond burgerschap en integratie te verplaatsen van het culturele domein naar dat van de arbeidsmarkt. De campagnes zijn een sociale lijm die de meest uiteenlopende etniciteiten met elkaar kan verbinden in omstandigheden van extreme fragmentatie. Zo zijn schoonmakers een voorloper geworden in het vernieuwen van vakbondsactivisme, om het te wapenen tegen de arbeidsverhoudingen van de eenentwintigste eeuw.

De vraag is nu hoe de lessen uit deze campagne vertaald kunnen worden naar andere sectoren. Hoe zit het met freelancers, ZZP’ers, flexwerkers, uitzendwerkers en anderen die onder het leefbaar loon verdienen? Welke vorm moet de organisatie van de campagnes daar aannemen, willen ze eenzelfde rol van sociale lijm kunnen vervullen? Het is jammer genoeg geen vraag met een simpel antwoord. Duidelijk is dat de gangbare vorm van belangenbehartiging van de vakbond, het zogenaamde servicemodel, in een nog klein maar groeiend deel van de arbeidsmarkt simpelweg niet meer werkt.

Van de schoonmakers dacht de vakbondstop lange tijd dat zij niet organiseerbaar waren. Hetzelfde argument wordt al jaren gebruikt om andere ‘atypische sectoren’ niet zo serieus te hoeven nemen. Het is een excuus om de vakbond zelf niet te hoeven veranderen van een log bureaucratische apparaat in een innovatieve, combattieve en leergierige organisatie. Deze conservatieve tendens binnen de vakbond is nog immer sterk en verhoudt zich vrij nauw met de verouderde poldermethodiek van voormalig FNV-voorzitter Jongerius en de hogere bestuurslagen. Onder druk van interne democratisering zijn dingen nu langzaam aan het veranderen. Organizing als methode wint aan terrein, en wordt nu met succes toegepast in de zorg. Voor veel andere sectoren geldt echter dat een vertaalslag gemaakt zal moeten worden. De kern van de boodschap is echter vrij universeel vertaalbaar, namelijk dat wij allen de vakbond zijn. Laten we met die gedachte in het achterhoofd, met open vizier de onzekere toekomst tegemoet treden.


[i] Mike Davis, ‘The betrayed generation’. Socialist Review, Januari 2009: http://www.socialistreview.org.uk/article. php?articlenumber=10669.

[ii] Paul Scheffer, ‘Het Multiculturele Drama’. NRC Handelsblad, 29 januari 2000.

[iii] Voor de herkomst van de citaten zie de oratie van Paul de Beer, waarvan ik de strekking overigens niet onderschrijf: Paul de Beer, Tien geboden voor de vakbeweging, Oratie Paul de Beer (Henri Polak leerstoel), Universiteit van Amsterdam, 7 oktober 2003.

Tagged with: