Home

De politieke filosofie van Friedrich Hayek schijnt als een soort brug te hebben gefungeerd tussen het neoliberalisme en het neoconservatisme. Dit omdat Hayek de markt feitelijk tot een spontane orde verklaart, waarvoor de bestaansvoorwaarden (en bijbehorende morale deugden) via de overheid moeten worden opgelegd. Het geloof in de onfeilbaarheid van de markt als een soort waarheidsprocedé maakt de kern uit van het neoliberalisme. Het idee van een natuurlijke orde is kenmerkend voor het conservatisme, terwijl het idee van maakbaarheid om een dergelijke ‘natuurlijke’ orde te bereiken neoconservatief van karakter is. Het gestaalde neoliberalisme van Hayek mag in Nederland overigens geen neoliberalisme heten, het wordt door haar aanhangers met het codewoord klassiek-liberalisme aangeduid.(1)

Hans Achterhuis heeft al geschreven over Hayek (een rechtse Sartre, aldus Achterhuis) en de fellow travellers op rechts. De kritiek van Achterhuis is zijn klassieke verhaal over de onverwachte effecten van goede bedoelingen. Het utopische karakter van Hayeks denken zou uiteindelijk leiden tot het idee dat het doel de middelen heiligt, met als gevolg de steun van Hayek voor de dictatuur van Pinochet. Anderen wijzen er echter op dat onvrijheid bij Hayek niet een problematisch gevolg is van een politiek van goede bedoelingen. Nee, de bedoelingen zelf zijn het probleem. Persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, geloofsvrijheid, vrijheid van samenkomst en zelfs briefgeheim en huisvrede worden in Hayek zijn voorstellen afhankelijk gemaakt aan het welbevinden van de vrije markt, zo schrijft Jan Rehmann in zijn zeer aanbevelenswaardige boek over ideologietheorie (hier het citaat in Engelse vertaling, zie onder voor de originele, wat moeilijk doorgrondbare tekst van Hayek).

“We thereby get exactly what we were first made believe Hayek was warning us from: a state, whose legislative body cannot be democratically challenged nor is it restricted in its power, except by the “market order” itself, whose laws it has to guarantee. Given the enormous competences of the “legislative assembly”, the division of powers is in fact abolished, so that it is hardly possible to differentiate Hayek’s model from what is usually discussed as “totalitarianism”. This becomes all the more evident by Hayek’s argument that the assembly’s “rules of just conduct” are designed to define and protect “the individual domain of each”, but that this basic clause does not contain any “traditional Rights of Man”, that is, not even the individual rights such as “freedom of speech, of the press, of religion, of assembly and association, or of the inviolability of the home or of letters”. Hayek justifies this exclusion with an argument that sounds like a decree of a dictatorial regime: none of these rights are “absolute rights that may not be limited by general rules of law”. That Hayek supported the neoliberal state terrorism of the Pinochet regime is therefore perfectly compatible with his model constitution.” (Rehmann 2008, p186)

Dit is een zeer interessante lezing. Nu is Hayek allesbehalve een marginaal figuur in Nederland. Mark Rutte schreef in 2007 een essay over de filosoof in Elsevier, en heeft meerdere malen aangegeven de boeken van Hayek op zijn nachtkastje te hebben liggen:

“In een essay in Elsevier uit 2007, waarin hij Friedrich von Hayek veelvuldig aanhaalt, verwoordt Rutte zijn geloof in de markt als volgt: ‘Een economie kan pas functioneren als er waarde wordt gehecht aan spontane – dus onvoorziene – processen tussen individuen […] op dezelfde manier waarop een taal ontstaat, zou een economie moeten ontstaan […] Als we het menselijk gedrag en de alledaagse behoeftes in acht nemen, dan heerst het welbegrepen eigenbelang als primaat voor alle vooruitgang.'” (Vrij Nederland, 21-09-2011)

Het wetenschappelijke bureau van de VVD heeft Hayek op de website staan als groot liberaal denker, en presenteerde hem onlangs nog in een boek met belangrijke liberale voorgangers. (2) Als Hayek links zou zijn geweest, dan zou natuurlijk de hele kwaliteitsmedia over dat gekoketteer met zijn filosofie zijn gevallen. Omdat Hayek in zijn denken en handelen neigt tot totalitarisme. Nee, op rechts mag zoiets blijkbaar. Dan is het spannend en prikkelend. En als de Minister-president dat soort dingen leest, dan zit het vast wel goed. Veelzeggend wat betreft de radicalisering op rechts is de reactie van Elsevier op Rutte’s liefdesbetuiging aan Hayek. “Wat de VVD-leider niet lijkt te beseffen, is welke implicaties de filosofie van deze radicaal heeft”, schrijft Elsevier. En daarmee bedoelen ze dat Rutte niet radicaal genoeg is:

“Dit laissez faire-denken van Hayek staat haaks op de intellectuele traditie van de VVD, die gewoon heeft meegewerkt aan de uitbouw van de verzorgingsstaat. ‘De overheid meet zich een sturend karakter aan,’ klaagde Rutte in Elsevier in navolging van Hayek. Maar de Nederlandse liberalen hebben nooit een principieel probleem gehad met deze sturing.
Als Rutte zich echt door Friedrich Hayek wil laten inspireren, zal hij binnenkort voorstellen alle subsidies te schrappen en te stoppen met elke vorm van inkomensbeleid, landbouwbeleid, cultuurbeleid, industriebeleid, volkshuisvestingsbeleid, ontwikkelingssamenwerking et cetera.
Dat zal natuurlijk niet gebeuren. Rutte gaf al aan het ‘niet eerlijk’ te vinden Hayeks theorieën kritiekloos over te nemen. Maar misschien is het nog wel veel oneerlijker om, in een krampachtige poging geleerd over te komen, een groot, origineel denker voor je karretje te spannen zonder diens ideeën serieus te nemen.” (Elsevier, 25 augustus 2007)

Gelukkig is Rutte sindsdien iets bijgedraaid.

Update: De lezing van Rehmann lijkt te worden bevestigd, door dit citaat van Hayek, uit een brief aan de Times:

“If Mrs. Thatcher said that free choice is to be exercised more in the market place than in the ballot box, she has merely uttered the truism that the first is indispensable for individual freedom, while the second is not.”

*******

1) Zie hier een lovend artikel over Hayek van Edwin van der Haar, ex-Elsevier, nu Directiesecretaris en woordvoerder van het CPB, of deze kritiek op Achterhuis, waarin van der Haar het bestaan van de zichzelf neoliberaal noemende Mont Pèlerin society voor het gemak maar even weglaat.

2) Zie hier voor een vluchtig overzicht van de receptie van Hayek bij de VVD. De referenties aan Kalma en De Beus moeten met een korrel zout worden genomen.

3) De tekst waaraan Rehmann refereert is Law, Legislation and Liberty, pp. 109-110, nogal ondoorgrondelijk proza:

“The basic clause of such a constitution would have to state that in normal times, and apart from certain clearly defined emergency situations, men could be restrained from doing what they wished, or coerced to do particular things, only in accordance with the recognized rules of just conduct designed to define and protect the individual domain of each; and that the accepted set of rules of this kind could be deliberately altered only by what we shall call the Legislative Assembly. This in general would have power only in so far as it proved its intention to be just by committing itself to universal rules intended to be applied in an unknown number of future instances and over the application of which to particular cases it had no further power. The basic clause would have to contain a definition of what can be law in this narrow sense of nomos which would enable a court to decide whether any particular resolution of the Legislative Assembly possessed the formal properties to make it law in this sense.
We have seen that such a definition could not rely only on purely logical criteria but would have to require that the rules should be intended to apply to an indefinite number of unknown future instances, to serve the formation and preservation of an abstract order whose concrete contents were unforeseeable, but not the achievement of particular concrete purposes, and finally to exclude all provisions intended or known to affect principally particular identifiable individuals or groups. It would also have to recognize that, though alterations of the recognized body of existing rules of just conduct were the exclusive right of the Legislative Assembly, the’ initial body of such rules would include not only the products of past legislation but also those not yet articulated conceptions implicit in past decisions by which the courts should be bound and which it would be their task to make explicit.
The basic clause would of course not be intended to define the functions of government but merely to define the limits of its coercive powers. Though it would restrict the means that government could employ in rendering services to the citizens, it would place no direct limit on the content of the services government might render. We shall have to return to this matter when we turn to the functions of the second representative body, the Governmental Assembly.
Such a clause would by itself achieve all and more than the traditional Bills of Rights were meant to secure; and it would therefore make any separate enumeration of a list of special protected fundamental rights unnecessary. This will be clear when it is remembered that none of the traditional Rights of Man, such as the freedom of speech, of the press, of religion, of assembly and association, or of the inviolability of the home or of letters, etc., can be, or ever have been, absolute rights that may not be limited by general rules of law. Freedom of speech does of course not mean that we are free to slander, libel, deceive, incite to crime or cause a panic by false alarm, etc., etc. All these rights are either tacitly or explicitly protected against restrictions only ‘save in accordance with the law’. But this limitation, as has become only too clear in modern times, is meaningful and does not deprive the protection of those rights of all efficacy against the ‘legislature’, only if by ‘law’ is not meant every properly passed resolution of a representative assembly but only such rules as can be described as laws in the narrow sense here defined.
Nor are the fundamental rights, traditionally protected by Bills of Rights, the only ones that must be protected if arbitrary power is to be prevented, nor can all such essential rights which constitute individual liberty ever be exhaustively enumerated. Though, as has been shown before, the efforts to extend the concept to what are now called social and economic rights were misguided (see appendix to chapter 9), there are many unforeseeable exercises of individual freedom which are no less deserving of protection other than those enumerated by various Bills of Rights. Those which are commonly explicitly named are those which at particular times were specially threatened, and particularly those which seemed to need safeguarding if democratic government was to work. But to single them out as being specially protected suggests that in other fields government may use coercion without being bound by general rules of law.
This, indeed, has been the reason why the original framers of the American Constitution did not at first wish to include in it a Bill of Rights, and why, when it was added, the ineffective and all but forgotten Ninth Amendment provided that ‘the enumeration in the Constitution, of certain rights, shall not be construed to deny or disparage others retained by the people’. The enumeration of particular rights as being protected against infringements ‘save in accordance with the law’ indeed might seem to imply that in other respects the legislature is free to restrain or coerce people without committing itself to a general rule. And the extension of the term ‘law’ to almost any resolution of the legislature has lately made even this protection meaningless. The purpose of a constitution, however, is precisely to prevent even the legislature from all arbitrary restraints and coercion. And, as has been forcefully pointed out by a distinguished Swiss jurist, the new possibilities which technological developments create may in the future make other liberties even more important than those protected by the traditional fundamental rights.
What the fundamental rights are intended to protect is simply individual liberty in the sense of the absence of arbitrary coercion. This requires that coercion be used only to enforce the universal rules of just conduct protecting the individual domains and to raise means to support the services rendered by government; and since what is implied here is that the individual can be restrained only in such conduct as may encroach upon the protected domain of others, he would under such a provision be wholly unrestricted in all actions which affected only his personal domain or that of other consenting responsible persons, and thus be assured all freedom that can be secured by political action. That this freedom may have to be temporarily suspended when those institutions are threatened which are intended to preserve it in the long run, and when it becomes necessary to join in common action for the supreme end of defending them, or to avert some other common danger to the whole society, is another matter which we shall take up later.

14 thoughts on “Hayek en het neolibera­lisme dat geen neolibera­lisme mag heten

    • Ha Michel, ja ik heb the Reactionary Mind letterlijk op mijn tafel liggen. Wat lees je van Bolkestein? Ik dacht vandaag het boek Het Brein van Bolkestein op te halen bij de bieb. De man heeft zoveel boekjes geschreven, weet niet zo goed waar te beginnen.

      Overigens lijkt het er ook op, dat Bolkestein een sleutelrol heeft gespeeld in het introduceren van het neoliberale en neoconservatieve denken in Nederland. Zie hier bijvoorbeeld:

      http://libertarian.nl/wp/2003/01/hayek-en-de-nederlandse-politiek/

      • He wat leuk. Jij maakt een studie van conservatisme begrijp ik. Is ook wel een beetje mijn onderwerp. Wil al een tijdje over Robin schrijven, maar vind het schrijven van boekbesprekingen erg moeilijk en eigenlijk niet zo leuk.

        Robin heeft me de ogen geopend voor wat Conservatisme is – ik hoef het je niet uit te leggen dus.

        Ik ben Bolkensteins ” De intelectuele verleiding” aan het lezen, althans ik ben er in begonnen. Om de paar alienia’s zeg ie wel weer wat dat ik eigenlijk moet uitzoeken. Maar ben nog aan het begin. Misschien moet ik zijn bespreking van Verlichting, etc overslaan, en direct naar zijn tweede deel gaan. Ik weet het nog niet. Mijn kennis van die tijd is gewoon onvoldoende om er veel commantaar op te geven.

        Ik denk dat Bolkstein perfect voldoet aan het patroon dat Robin beschrijft. Ik heb (voordat ik Robin kende) al eens – lang geleden nu, mijn hemel de tijd gaat snel – over hem geschreven De Hamer van Bolkestein Weinig Wol: De hamer van Frits Bolkestein (http://vgmwwzdd.blogspot.nl/2010/02/de-hamer-van-frits-bolkestein.html) dat was nog net voor ik bij Geen Commentaar ging schrijven denk ik.

        Nu zie ik heel goed dat B. hier een echt Burkiaans standpunt inneemt: het Westen is verzwakt, verweekt, doordat het toegeeft, en ook de bewondering voor de “revolutionair” (de Islam in dit geval). Het is gewoon een perfecte match.
        Wat denk jij?

  1. Beste Michel,

    je hebt natuurlijk gelijk. Meer in het specifiek mengt Bolkestein in zijn boek een klassiek behoudend conservatisme met een militant neoconservatisme. In zijn bespreking van de Verlichting zul je trouwens vinden dat hij Gertrude Himmelfarb aanhaalt, de vrouw van Irving Kristol (de ‘godfather’ van het neoconservatisme), en vooraanstaand neoconservatief historica. Ik kan je een artikel opsturen waar ik nu mee bezig ben. Het is de eerste versie, maar ben benieuwd naar je commentaar.

    groetjes,

    Merijn

  2. Als je iets over liberalism wilt weten (of over conservatisme for that matter) is het aan te raden de bronteksten te lezen. Ik haal uit jullie dialoog dat julile vooral heel druk zijn met boeken lezen die óver liberale en conservatieve schrijvers gaan. Hierdoor krijgen jullie beide een beeld van bepaalde denkers die op geen enkele manier strookt met de werkelijkheid. Begin nou eens met Edmund Burke – Reflections on the Revolution in France. Lees daarna Russell Kirk – The Conservative Mind. Neem dan Ludwig von Mises – Liberalism door, en sluit af met Friedrich Hayek – The Road to Serfdom en Milton Friedman – Capitalism and Freedom. Als jullie deze boeken hebben gelezen kun je je een goed beeld over conservatisme en liberalisme vormen. Als je blijft hangen met het schotschrift van Corey Robin ben je alleen maar stromannen aan het aanvallen

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s