De visie van Mark Rutte

Gepubliceerd in Idee, het tijdschrift van de Hans van Mierlo Stichting (het wetenschappelijk bureau van D66).

Er rust in Nederland een apart soort taboe op visie. Waarschijnlijk de bekendste uitdrukking van dit fascinerende stigma is het dictum van Mark Rutte uit zijn H.J. Schoo-lezing van 2013: ‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert.’

De uitspraak kon rekenen op smalende reacties in de media. ‘Dat we inhoudelijk geen wonderen van hem mochten verwachten, maakte hij in zijn eerste zinnen al duidelijk,’ schreef een correspondent van de Volkskrant.

Maar het was zeker geen uit de lucht gegrepen stelling. Het vormde onderdeel van een principiële kritiek op visionair leiderschap: ‘Als visie een blauwdruk voor de toekomst betekent, dan verzet alles wat liberaal is in mij zich daartegen,’ zo stelde Rutte toentertijd. ‘Een land, een samenleving past niet in een mal,’ liet hij daar nog op volgen.

Wat Rutte lijkt te bedoelen met visie is een ideaalbeeld van mens en samenleving, vervat in een politieke theorie zoals in de klassieke ideologische stromingen liberalisme, socialisme of conservatisme. In veel samenlevingen is het vrij gebruikelijk dat politiek leiders een dergelijke veelomvattende visie naar voren schuiven, of zich in ieder geval daartoe verhouden.

Het is niet hun bedoeling om een blauwdruk voor de toekomst te presenteren waar de samenleving voor de eeuwigheid aan gebonden is, maar eerder om kiezers een indicatie te geven van de grotere idealen van hun partij, los van de punten achter de komma op de koopkrachtplaatjes. Een uitgesproken visie helpt kiezers bij het uitbrengen van hun stem.

In de Nederlandse politiek heeft visie voor velen echter een nare bijklank. ‘Wie visie zoekt moet naar de oogarts,’ stelt Rutte desgevraagd. De minister-president is zeker niet de enige met een negatieve waardering. De gevierde NRC-columnist Jérôme Heldring vond ‘visionaire politici een beetje griezelig’. Frits Bolkestein beschreef visie al eerder als ‘ijdel getheoretiseer dat het zicht op de werkelijkheid blokkeert’. En de vooraanstaande socioloog en PvdA’er Cees Schuyt heeft eveneens weinig op met maatschappijvisies: ‘elke poging om de inrichting van een rechtvaardige samenleving positief te formuleren, zal het gevaar in zich dragen een ideologie te worden, die het ontwerp doet stollen in handhaving van een alsdan bereikte status quo’.

Nederlandse politici profileren zich liever als nuchtere ‘pragmatici’ of doorgewinterde ‘realisten’ dan als uitgesproken voorstanders van een politieke visie. ‘Niemand zit meer op grote verhalen te wachten,’ schreef Volkskrant-commentator Martin Sommer.

Politici worden dan ook vaak als visieloos afgeschilderd in Nederland. Ze zouden lijden aan een chronische ideeënarmoede, een soort ideologische anemie. Het is een aambeeld waar NRC-columnist Bas Heijne geregeld op hamert in zijn boeken en columns. Heijne hekelt het ontbreken van vergezichten, het gebrek aan richting en visie, de afwezigheid van een ethische overtuiging. Politici doen geen water meer bij de wijn, zo stelt Heijne. Het water heeft de wijn al lang vervangen. Politiek is het mengen van kleurloze substanties. Wie enige naspeuring doet, ontdekt al snel dat dergelijke beschuldigingen van visieloosheid al decennia het Nederlandse debat bepalen.

Mark Rutte is natuurlijk een geliefd doelwit van die kritiek. Op zijn beurt beschuldigde Rutte zijn voorganger Balkenende van een gebrek aan visie. ‘Rustig aan, dan breek het lijntje niet,’ zo omschreef Rutte de politiek van Balkenende. Ad Melkert stelde weer dat zijn voorganger Wim Kok geen visie had laten zien. En wijlen Ruud Lubbers werd in een in memoriam in NRC ervan beschuldigd dat hij met zijn nieuwe zakelijkheid een tijdperk van visieloosheid had ingeluid: ‘Nog altijd draagt de Nederlandse politiek hier sporen van. Het gebrek aan visie is een terugkerende klacht.’

De beschuldiging van visieloosheid was tevens een favoriet aanvalswapen van oud-leider van D66, Alexander Pechtold. Alleen is zijn partij sinds het afscheid van de zogenoemde ‘kroonjuwelen’ net zo goed doelwit van dat verwijt. Zo bezien zijn er de afgelopen dertig jaar maar weinig prominente politici die wél de verdenking op zich hebben geladen, een politieke visie te hebben.

Stiekem toch een visie

Een dergelijke alomtegenwoordige retoriek van visieloosheid wekt argwaan. Hoe kan het land bestuurd worden als het alle politici continu aan visie ontbeert? En na enige studie van lezingen en publicaties van politici rijst toch het vermoeden dat de zaken wat genuanceerder liggen. In zijn H.J. Schoo-lezing deed Rutte zijn befaamde uitspraken over visie, om vervolgens erbij te vermelden dat hij wel degelijk gelooft in ‘visie als perspectief voor mensen’. En wie goed oplet, kan in die lezig naast de waslijst aan beleidsmaatregelen toch een verhaal ontwaren dat verdomd veel op een visie lijkt. Dat verhaal heeft alleen de media niet gehaald, in tegenstelling tot zijn antipathie richting olifanten.

Rutte begon zijn verhaal met een referentie naar een bundel van het SCP in 1983 – meer specifiek een bijdrage van de toen nog jonge socioloog (en latere SCP-directeur) Paul Schnabel. In zijn bijdrage ging Schnabel in op de uitdijende verzorgingsstaat, en stelde dat deze had geleid tot de bureaucratisering en verstatelijking van het maatschappelijk initiatief. De overheid had taken op zich genomen die eerder vanuit de (verzuilde) samenleving zelf werden geklaard. Een fundamentele inperking van de verzorgingsstaat zou weer ruimte bieden aan de samenleving om initiatieven te nemen.

Schnabels analyse uit 1983 vertoont veel gelijkenissen met de visie die het CDA ontvouwde toentertijd. Terwijl in de VK en het VS de verzorgingsstaat met collectivisme werd geassocieerd en de vrije markt met individualisme, was de christendemocratische kritiek eerder andersom. De verzorgingsstaat is een motor van individualisering. Hierdoor was het aloude christelijke verzuilde middenveld weggevaagd, om plaats te maken voor een op consumptie gericht individualisme.

De christendemocratische sociologen Hans Adriaansens en Anton Zijderveld stelden dat de verzorgingsstaat had geleid tot de ontwikkeling van een decadent ‘immoralistisch ethos’. Dat zou geheel in het teken staan van de ‘consumptie hier-en-nu’:

‘Niet alleen geproduceerde goederen worden geconsumeerd, ook menselijke relaties, ideeën, theorieën, ervaringen: men nuttigt ze tot zij beginnen te vervelen, waarna men ze inruilt voor ander consumptiemateriaal. In het maatschappelijk verkeer zullen dan ook loyaliteit en verantwoordelijkheidsgevoel laag genoteerd staan: wanneer een relatie (huwelijk, vriendschap) niet meer “goed zit”, ruilt men haar in voor een andere, wat daarvan dan ook de consequenties mogen zijn.’

De keerzijde van dit argument is dat het terugdringen van de verzorgingsstaat weer kan resulteren in een herwaardering van gemeenschapszin en verantwoordelijkheidsgevoel.

Ruud Lubbers, de man die eveneens vaak met een gebrek aan visie wordt geassocieerd, droeg een dergelijke christelijke communitaristische visie helder en duidelijk uit in zijn vele lezingen. In een Tweede Kamer-toespraak uit 1982 poneerde Lubbers dat mensen niet kunnen leven ‘in de anonimiteit van de centrale overheid die hun verantwoordelijkheid ontneemt’. Het individualisme was geen alternatief: ‘Mensen kunnen evenmin leven bij zichzelf en zullen opstandig worden indien de overheid het daarop aanstuurt.’ Zijn voorstel was een overheid die een ‘draagt-elkanders-lasten’ oriëntatie zal ‘uitlokken en bevorderen’.

De overheid dient volgens deze visie een actieve aanjager van gemeenschapszin te zijn. Bij het aantreden van het kabinet Lubbers I, in november 1982, kondigde de regeringsverklaring dan ook aan dat Nederland zou ‘overgaan van een verzorgingsstaat, die onbetaalbaar en drukkend dreigt te worden, naar een zorgzame samenleving waarin mensen voor elkaar opkomen’.

In zijn H.J. Schoo-lezing lezing prees Rutte de bezuinigingspolitiek van Lubbers, die Nederland ‘opnieuw in de grondverf’ had gezet. Zonder de christelijke connotaties over te nemen, presenteerde Rutte zijn eigen bezuinigingsbeleid als een voortzetting van het werk van Lubbers. Een vergelijkbare draag-elkanders-lasten oriëntatie klonk door in zijn betoog. In het Nederland dat Rutte voor zich zag, ‘wonen mensen die alles wat zij zelf organiseren ook zoveel mogelijk zelf regelen, samen met de mensen in hun omgeving. Dat is goed voor de mensen zelf, maar het levert ook een hechtere samenleving op, waarin het bezielde verband uit mensen zelf komt.’

Rutte nam hier een voorschot op de aankondiging van de participatiesamenleving – de kernvisie van het kabinet Rutte II. Twee weken later zou immers de troonrede door koning Willem-Alexander worden uitgesproken, waarin de geste van Lubbers uit 1982 in iets andere bewoordingen werd herhaald: de verzorgingsstaat zou plaatsmaken voor een participatiesamenleving, waar mensen weer zelf het heft in handen zouden nemen. Onder sociologen staat deze politiek bekend als neoliberaal communitarisme.

De verhulling van visie

Typisch aan de Nederlandse politiek echter is dat dergelijke politieke visies niet al te expliciet als visie worden gepresenteerd. Ze worden eerder op gedepolitiseerde wijze aan de man gebracht als noodzakelijke aanpassingen aan een snel veranderende wereld.

De politieke taal in Nederland, zo schrijft de historicus James Kennedy, is ‘doordrenkt van het passieve gebruik van werkwoorden waarbij gewezen wordt op overkoepelende en onvermijdelijk politieke en sociale ontwikkelingen, waar de politiek weinig meer aan kan doen dan zich aan te passen’. In de Nederlandse bestuurlijke en politieke retoriek lijken grote onpersoonlijke machten het land onder controle te hebben: ‘Nederlandse elites, of we het nu hebben over politici of bestuurders, zijn blijkbaar overgeleverd aan krachten die hen te boven gaan: “de veranderende samenleving”, “de eisen van de tijd”, “de onvermijdelijke ontwikkelingen”, et cetera.’ Kennedy noemt dit de retoriek van de overmacht.

Eenzelfde depolitiserende verpakking van zijn ideologische visie zien we bij Rutte. De H.J. Schoo-lezing heeft als titel ‘Nederland bij de tijd brengen’. De uitstraling is eerder die van achterstallig onderhoud dan van ambitieus politiek ingrijpen. Rutte doet het voorkomen alsof de politiek niet zelf dingen wil veranderen, het is de wereld die dingen verandert en de politiek die zich enkel daaraan aanpast: ‘Wij beheersen de wereld niet, dat is de realiteit. En we krijgen te maken met grote, haast radicale veranderingen, sommige nu al zichtbaar, andere worden zichtbaar; economisch, maatschappelijk en geopolitiek.’ Die veranderlijke wereld ‘betekent dat we ons steeds opnieuw aan moeten passen aan nieuwe omstandigheden.’

Kennedy stelt dat een dergelijk depolitiserend discours een strategische functie heeft: het faciliteert het polderen. Het is immers makkelijker om overeenstemming te vinden met andere partijen als je de eigen politieke agenda presenteert als een onvermijdelijke ontwikkeling die van buitenaf wordt afgedwongen dan als een ideologisch programma dat doelbewust over de samenleving wordt uitgerold.

Zo is politieke visie wel degelijk aanwezig in Nederland, al betreedt zij vaak in een apolitieke camouflage het toneel en gaat haar verschijning vaak gepaard met een kritiek op visie.

 

Referenties:

Adriaansens, H.P.M. en Zijderveld, A.C.  (1981), Vrijwillig initiatief en de verzorgingsstaat: Cultuursociologische analyse van een beleidsprobleem. Deventer, Van Loghum Slaterus.

Kennedy, J. (2010), Bezielende verbanden: Gedachten over religie, politiek en maatschappij in het moderne Nederland. Amsterdam, Bert Bakker.

Lubbers, R. (1991) Samen onderweg: Over democratie, christendom & samenleving, economie en internationale vraagstukken. Utrecht, Het Spectrum.

Rutte, M. (2013), Nederland bij de tijd brengen. verandering én zekerheid. H.J. Schoo-lezing, 2 september.

Schnabel, P. (1983) ‘Nieuwe verhoudingen tussen burger en staat’, in Ph. Idenburg (red.), De nadagen van de verzorgingsstaat: Kansen en perspectieven voor morgen. Amsterdam, Meulenhoff, pp. 25-67.