Home

Het veelkoppige monster van de internetpiraterij

Achter de schermutselingen tussen internetpiraten en commercie gaat een veel groter conflict schuil. Blijft de nieuwe, digitale ruimte openbaar, of worden ook deze commons geprivatiseerd?

Merijn Oudenampsen en Koen Haegens

Het is stelen, heling en een misdrijf – en het is iets waar vijf miljoen Nederlanders zich het afgelopen jaar schuldig aan hebben gemaakt. Het gratis up- en downloaden van muziek, films en software heeft een hoge vlucht genomen. Tot wanhoop van de industrie. ‘Piraterij is een misdaad’, stelt een zeurderig stemmetje in een door haar betaald spotje. Doel van de 21ste-eeuwse internetpiraten lijkt niets minder dan de digitale onteigening van de creatieve industrie, eindigend in haar totale ondergang.
Maar 2009 dreigt voor de internetpiraten te worden wat 1723 was voor hun voorgangers ter zee. Was het toen de imperiale vloot van het Britse rijk die een beslissende campagne voerde tegen de vrijbuiterij in de Cariben, nu zijn het de rechterlijke macht en de politiek die in de aanval gaan. Onlangs kondigde het kabinet aan het illegaal downloaden te zullen verbieden, op advies van een parlementaire werkgroep. Nog verder gaan Frankrijk en Groot-Brittannië. Zij willen download-recidivisten digitaal onthanden door ze hun internetabonnement te ontnemen. Bits of Freedom, een digitale burgerrechtenorganisatie, sprak in een reactie van ‘een vorm van censuur’, die tot nog toe voorbehouden was aan dictaturen als China en Iran.
Eerder moest op last van de rechter al de Nederlandse site Mininova alle links op haar pagina’s verwijderen die mogelijk naar gekopieerde muziek, films en software verwijzen. De Zweedse collega’s van PirateBay dienen in de toekomst Nederlandse gebruikers te weren van hun website. De bekende downloadsite heeft meer kopzorgen. Als gevolg van een rechtszaak aangespannen door de Amerikaanse film- en muziekindustrie dreigt ze zelfs geheel ten onder te gaan.
Een krant als NRC Handelsblad kan zich ondanks haar liberale beginselen in de harde aanpak vinden. ‘Delen is de tedere term die de internetgemeenschap hanteert voor het up- en downloaden. Alsof het om lief en leed gaat, niet om het doorschuiven van gestolen waar’, smaalde het dagblad deze zomer in haar hoofdcommentaar over het digitale ‘proletarisch winkelen’. Internetpiraten zouden niet beseffen dat ze muzikanten, filmmakers en andere creatievelingen van hun boterham beroven.
Dat is veel te kort door de bocht. Wie profiteert er werkelijk van de verkoop van muziek, films en games? Het zijn grote film-, muziek- en softwarebedrijven die hun torenhoge winsten sterk zien teruglopen. Zo is de omzet van muziekfirma’s in Nederland binnen een decennium bijna gehalveerd. Vooral de ‘tussenhandel’, zoals platenmaatschappijen en filmdistributeurs, heeft het zwaar. Maar voor de werkelijke creatievelingen, de directe producenten, hoeft er gemiddeld genomen niet veel te veranderen. Uit onderzoek van TNO bleek eerder dit jaar dat waar bekende artiesten mogelijk schade ondervinden van illegaal downloaden, hun minder verdienende, nog onbekende collega’s juist ‘kunnen profiteren wanneer het uitwisselen van bestanden hun bekendheid vergroot’. De onderzoekers trekken een opvallende conclusie: ‘De economische effecten van file sharing op de Nederlandse welvaart op de korte en de lange termijn zijn per saldo positief.’ De kosten voor de industrie wegen niet op tegen de baten van de burger, die toegang krijgt tot een breed scala aan cultuur.
En cultuur, dat was toch iets van ons allemaal? Niet als het aan de creatieve industrie ligt. De paniekverhalen over copyright-piraterij verhullen dat ze niet alleen maar in het defensief zit. Zo wil de hiervoor verantwoordelijke instantie Buma Stemra zelfs de muziek belasten die werknemers via hun mp3-speler beluisteren. En in de wereld van het merkenrecht wordt al jarenlang getracht de grenzen van het geestelijk eigendom zó op te rekken dat hier ook geuren onder vallen, simpele geluiden (bijvoorbeeld het gebrul van de leeuw uit het logo van entertainmentbedrijf Metro Goldwyn Mayer) of bekende deuntjes als de eerste noten uit Beethovens Für Elise. Dat gaat niet langer alleen over copyright. Dat is een poging cultureel gemeenschapsbezit te privatiseren en commercieel uit te buiten. Wie is hier de dief?

Achter de schermutselingen rond PirateBay, Mininova en alle andere downloadsites gaat daarom meer schuil. Het is niet enkel een kwestie van wat het beste verdienmodel is voor de creatieve industrie, of hoeveel gratis ze kan verdragen – al zal goedkoop film kijken en muziek luisteren voor het leeuwendeel van de gebruikers het belangrijkste motief zijn. De oprichting van relatief succesvolle piratenpartijen in Zweden en Duitsland toont dat het om een nieuw politiek issue gaat. Onder de hackers en ‘anticopyright-activisten’ die de kern vormen van de zogeheten ‘filesharing community’ wordt al langer nagedacht over zowel de ideologie als de strategie achter internetpiraterij.
Een opvallende rol speelt daarin de parabel van de veelkoppige draak – the many headed hydra. Elke keer dat dit mythische beest een hoofd werd afgeslagen, groeiden er twee voor terug. Een uitstekende strategie in het internettijdperk. Probleem van de huidige situatie, zo lezen we op Torrentfreak, een digitaal platform van internetpiraten, is dat enkele grote sites als PirateBay en Mininova het meeste verkeer verwerken: ‘Het is prima om een veelkoppige draak te hebben, maar niet als slechts één van die koppen de helft van alle publieke torrents met zich meetorst.’ (Torrents zijn kleine alias-bestanden, links, waarmee de – grote – bestanden waarnaar ze verwijzen kunnen worden gedownload.) Dat vergroot de zichtbaarheid, maar ook de kwetsbaarheid van de infrastructuur. Dus plant PirateBay haar eigen onthoofding. Ze is al langere tijd bezig honderden kleinere torrentsites als nageslacht te creëren. Iedereen kan binnenkort zijn eigen PirateBay opzetten. Aan de software wordt gewerkt. De naam is veelzeggend: Hydra.
Deze mythische parabel zou niet meer dan een leuke vinding zijn, ware het niet dat ze ontleend is aan de titel van een boek dat inmiddels een cultstatus heeft verworven onder linkse activisten in Europa en de Verenigde Staten. In The Many Headed Hydra: The Hidden History of the Revolutionary Atlantic verhalen historici Peter Linebaugh en Marcus Rediker over de zeventiende- en achttiende-eeuwse strijd van piraten, muitende matrozen, al dan niet ontsnapte slaven en andere illustere leden van het ‘Atlantische proletariaat’. Ten tijde van het brute ontstaansproces van het mondiale kapitalisme creëerden zij hun eigen, egalitaire maatschappijvormen.
Oorspronkelijk was het de zestiende-eeuwse filosoof Francis Bacon die de Hydra uit de saga van de twaalf werken van Herakles destilleerde. Bacon gebruikte de werken van Herakles als metafoor voor de uitdagingen van economische ontwikkeling. Herakles stond voor de macht; de veelkoppige draak was een tegengesteld symbool van verzet en chaos. De Hydra, dat was voor Bacon de bedreiging van de onteigende en ontheemde boerenstand. Grootschalige onteigening van boeren vond plaats in de zestiende en zeventiende eeuw in een proces dat bekendstaat als de ‘enclosures of the commons’, de omheiningen van de gemeenschappelijke boerengronden in zowel Engeland als de gekoloniseerde gebieden. Die verregaande privatisering van land dat tot dan toe aan niemand toebehoorde, was een essentieel ingrediënt in de oersoep van het kapitalisme. Karl Marx sprak erover als ‘primitieve accumulatie’: een proces, ‘waarin grote massa’s mensen plotseling en met geweld werden losgescheurd van hun bestaansmiddelen en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd’. Veel van deze nieuwbakken proletariërs eindigden in de scheepvaart. Sommigen in de piraterij.
Het gebruik van deze Herakles-Hydra-symboliek maakte breed opgang bij Europese koloniale machthebbers, zo tonen Linebaugh en Rediker met tal van citaten. De Hydra werd voor de imperiumbouwers een symbool van de moeizaam controleerbare, zich globaliserende arbeidsmarkt. De hoofden van het monster hadden een constant wisselende samenstelling: onteigende boeren, ingescheepte misdadigers, religieuze radicalen, piraten, arbeiders, muitende soldaten en Afrikaanse slaven. Linebaugh en Rediker smeden de Hydra in hun boek om tot een geuzennaam. Een symbool van een gemondialiseerde tegenmacht die rebelleert tegen de imperiumbouwers.
Geen wonder dat het boek met enthousiasme is omarmd in de globaliseringsbeweging en haar digitale vertakkingen: de hackers, de open source-techneuten, de anticopyright-activisten en andere aanhangers van de vrije internetcultuur. Tenslotte spelen niet alleen kinderen graag piraat – zeker na het succes van Pirates of the Carribean. Maar naast een flinke dosis romantiek is er nog iets anders wat de internetpiraten van nu bindt met de Hydra van weleer: de strijd om de commons.

Wat god aan iedereen gegeven heeft, wordt door de brutaalsten ingepikt, liet toneelschrijver Herman Heijermans een oude, verarmde Drentse boer verzuchten in zijn aan het begin van de twintigste eeuw op de planken gebrachte Ora et Labora. Het was een kritiek op de gestage privatisering van collectieve gronden die op gang was gekomen onder Napoleon en later Willem I. Inderdaad: ook in Nederland heeft een enclosure of the commons plaatsgehad. Daarvan getuigt het in tal van straatnamen en andere locaties terug te vinden middeleeuwse woord ‘meent’, een door boeren gemeenschappelijk beheerd stuk grond.
Het Romeinse recht onderscheidde verschillende eigendomsvormen, waaronder res publica (staatseigendom), res privata (privé-eigendom) en res communes (eigendom van niemand, de commons). De geschiedenis leert dat als de laatste niet tegen de eerste twee wordt verdedigd zij onherroepelijk het onderspit delft. ‘Dingen in het gemeen bezeten, worden van elkeen vergeten’, luidt niet voor niets een oud gezegde.
De eerste, klassieke aanval op de commons was onderdeel van het door Marx beschreven proces van ‘oorspronkelijke’ of ‘primitieve accumulatie’, dat de weg vrij maakte voor het ontstaan van het industriële kapitalisme. In de moderne maatschappij is de strijd om de commons terug van weggeweest. Het neoliberalisme poogt de winstmarges op te vijzelen en nieuwe markten aan te boren door een praktijk die omschreven kan worden als ‘accumulatie door onteigening’. De term is van David Harvey. Het onteigenen van gemeenschappelijk bezit is volgens de bekende geograaf niet iets eenmaligs, behorend tot het verleden, maar een praktijk van alledag. Dus wordt gemeengoed als de lucht, bossen, het klimaat of drinkwater meer dan ooit bedreigd door verstatelijking of privatisering. De openbare ruimte staat onder druk van zowel overheidsregelgeving als commercialisering. En het gaat verder. Vrije tijd wordt duur betaalde leisure. Ook het leven zelf blijft niet gevrijwaard van commerciële belangstelling. Genetisch erfgoed van mens, dier en natuur wordt gepatenteerd en geprivatiseerd. Dat medicijnen die het verschil uitmaken tussen leven en dood eigendom zijn van farmaceutische bedrijven wordt reeds lang als normaal ervaren. Met de kredietcrisis is duidelijk geworden dat zelfs het laatste gemeengoed, de toekomst, niet gespaard wordt voor ‘commodificering’. De schulden die staten nu maken, leggen beslag op de publieke middelen van volgende generaties. Niet voor niets sprak Marx al over de publieke schuld als ‘een van de krachtigste hefbomen van de oorspronkelijke accumulatie’.
Ten slotte komt er ook een prijskaartje te hangen aan cultuur en creativiteit. Dat is lang niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. In het digitale tijdperk komt creativiteit meer dan ooit voort uit collectieve inspanningen. Dat was al zo in de analoge cultuur: de academicus citeert, de musicus samplet, de schrijver zinspeelt, de cineast refereert. Het creatieve proces is nooit de vrucht van een eenzaam genie. Het is altijd schatplichtig aan een gemeenschappelijke voorraad bestaande cultuur. Voorbeelden te over: Joyce parasiteert de Odyssee, Portishead Isaac Hayes, en Quentin Tarantino grijpt terug op het WOII-exploitation-genre.
Dankzij de opkomst van de kenniseconomie en moderne communicatietechnologie is dit collectieve creatieve proces in een versnelling gekomen. Het oude copyright-systeem werkt daardoor steeds meer als een rem op de creativiteit. Het belangrijkste voorbeeld is het open source-computerbesturingssysteem Linux. Dat nam de aloude creatieve werkwijze van het samenwerken aan de hand van gemeengoed, in dit geval een gedeelde broncode, over. Met succes: Linux werd met haar gratis besturingssysteem zelfs een bedreiging voor het oppermachtige Microsoft. Intussen blijken talloze bedrijven goed geld te kunnen verdienen met het ‘gratis’ open source, door er betaalde diensten naast te leveren. Het wekt dan ook geen verbazing dat sinds kort zelfs Microsoft begonnen is hiermee te werken. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn gaande in de academische wereld. Het besef dringt door dat het strikte copyright en de hoge prijzen voor academische kwaliteitsbladen het creatieve denken eerder afremmen dan bevorderen.
De hierboven geschetste ontwikkeling beperkt zich niet tot de creatieve sector. Linkse Italiaanse filosofen als Paolo Virno wijzen erop dat in vrijwel de gehele economie de coöperatieve vermogens van mensen steeds belangrijker worden voor het productieproces. Virno noemt dit niet zonder leedvermaak het ‘communisme van het kapitaal’. Het zijn ons collectief denkvermogen – the general intellect – en onze linguïstieke en sociale vermogens, kortom de creativiteit zelf, die de productieve kern vormen van het nieuwe kapitalisme.
Dit zijn de nieuwe commons, de nieuwe vormen van gemeengoed, in de kenniseconomie. En net zo goed zijn er nieuwe enclosures. In dit geval is het de copyrightlobby die pleit voor de privatisering van creativiteit en de vruchten daarvan. Het is deze strijd om het gemeengoed die een rode draad vormt door de nieuwe radicale filosofische lectuur, van Antonio Negri tot David Harvey, van Alain Badiou tot Jacques Rancière. Het kan gezien worden als een poging links te ontdoen van haar grootste misstap: haar vereenzelviging met een continue uitbreiding van de macht van de staat. Bijkomend voordeel voor links is dat de strijd om de commons mogelijkheden biedt om een nieuw ‘wij’ te definiëren. Dat gebeurt in de vorm van een internationaal verbonden belangengemeenschap die zich verzet tegen de onteigening van gemeenschapsbezit – uiteenlopend van drinkwater tot het internet.

De opkomst van het internet betekende de opkomst van een nieuw soort openbare ruimte. Die bestaat nog steeds, al groeit de bemoeienis van staten en bedrijven met de dag. Dit gemeenschappelijke karakter van het internet is een nieuw politiek issue geworden, dat wereldwijd honderdduizenden mensen beweegt. De recente rel rond Buma Stemra, dat leges wilde vragen voor het afspelen van muziek op websites, laat zien dat ook in Nederland internetvrijheid zelfs de meest apolitieke jongeren niet onberoerd laat.
Dat alles laat zich niet enkel verklaren uit de wens om gratis van andermans creatieve vruchten te profiteren. Voor veel hackers en internetpiraten die er hun vrije tijd voor opofferen gaat het om iets anders. Zij eisen niet zozeer het einde van alle copyright, als wel een nieuw, rechtvaardiger auteursrecht. Het doel is niet de maker van een liedje of de schrijver van een artikel van zijn inkomen te beroven. Het gaat om een auteursrecht dat recht doet aan het collectieve karakter van het productieproces in de kenniseconomie. Een auteursrecht dat de consument en de creatieve gemeenschap als geheel ten goede komt, in plaats van alleen de grootste spelers.
Het massale schenden van copyright via sites als PirateBay is daarmee niet automatisch een uiting van blind hedonisme. Het kan ook een duidelijke boodschap zijn aan de cultuurindustrie. Privatiseert u ons collectief cultureel erfgoed? Dan slaan wij terug! Zie het als een vorm van contra-parasitisme. Net zoals de zeepiraterij dat in een voorbij tijdperk was.
Net als toen hoeft de piraterij ook nu niet geromantiseerd te worden. Belangrijker zijn de omstandigheden waaruit deze voortkomt. Waar eeuwen geleden de Engelse omheining van de commons velen tot piraterij dreef, is het nu de steeds verdergaande privatisering van cultureel gemeengoed die een nieuw, veelkoppig monster creëert. Voor allen die het goed voor hebben met het gemeenschappelijke bezit is het te hopen dat ook deze Hydra haar naam eer aandoet en zich niet zomaar laat onthoofden.

Gepubliceerd in de Groene 18 november 2009

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s