Home

Een lezing van zijn boek ‘De Intellectuele Verleiding: Gevaarlijke Ideeën in de Politiek’ leidt tot de opzienbarende conclusie dat niet de islam maar Bolkestein zelf de grootste bedreiging vormt voor de idealen van de verlichting.

Laat ik beginnen met de openhartige erkenning dat het moeilijk is voor iemand onder de vijftig om ‘De Intellectuele Verleiding’ zonder jeugdige recalcitrantie te lezen. Al spartelend en tegenstribbelend heb ik mij er doorheen gewerkt; elke paragraaf nageplozen op incoherenties, elk argument gewantrouwd. Ik heb mij in het kort gedragen als de bibliomane variant van een boer op een veeveiling.

De reden hiervoor is dat het boek een bepaalde leeftijdspolitiek predikt: het telkens terugkerende beroep op politieke ervaring en levenswijsheid, waarmee Bolkestein elke maatschappelijke bemoeienis van intellectuelen vol dedain van tafel veegt. Intellectuelen hebben volgens Bolkestein mooie abstracte ideeën, maar missen de praktische ervaring en dienen daarom het politieke oordeel aan de doorgewinterde praktijkmensen over te laten, zoals hijzelf. Het probleem wordt verergerd doordat intellectuelen geholpen worden door de jeugd die een essentiële rol speelt in de verspreiding van hun radicale ideeën. Het fascisme, de ’68 beweging en het hedendaagse ‘postmodernisme’ van Derrida en consorten zijn volgens Bolkestein het historische bewijs van de jeugdige geneigdheid tot politieke perversie. Voor personen onder de vijftig, zo stelt de inleiding alsof het om gevaarlijk kinderspeelgoed gaat, zijn ideeën riskant, temeer als ze algemeen van strekking zijn.

Het lezen van het boek geeft je het vreemde gevoel in een onaangename discussie te zijn beland met een autoritair vaderfiguur. Zo’n man die onmiddellijk op zijn strepen gaat staan op het moment dat hij de discussie dreigt te verliezen. Die je aanraadt eerst maar eens wat jaren bij Shell te gaan werken, om de echte wereld te zien, voordat je over idealen begint. En dan maak ik er echt geen karikatuur van. Het boek opent met de volgende paragraaf:

‘In 1959 behaalde ik mijn doctoraalexamen. De Koude Oorlog was toen in volle gang. Ik vatte het plan op om een proefschrift over de “anti-democratische intellectueel” te schrijven. In plaats daarvan reisde ik af naar Mombasa om daar olie te gaan verkopen. Waarschijnlijk maakte ik een goede keus.’

‘Een goede keus’

Laten we even een beetje context schetsen hier, belangrijk gezien Bolkestein zijn beroep op ervaring waarmee hij later de ‘anti-democratische intellectueel’ te lijf zal gaan. Als Bolkestein arriveert in Mombasa, Kenia, heeft het Britse koloniale regime net een opstand van de Mau Mau bloedig neergeslagen, en tienduizenden in concentratiekampen geïnterneerd. Bolkestein reist door naar Tanzania, waar hij zijn jonge jaren doorbrengt met het verkopen van olie aan vliegvelden en theeplantages van Duitse kolonialen. Al snel maakt hij promotie. Vanaf 1965 tot 1972 geeft Bolkestein leiding aan Shell-divisies in respectievelijk Honduras, El Salvador en Indonesië.

In Honduras verleent Bolkestein zijn diensten aan de dictator Osvaldo Lopez Arellano, wiens gewelddadige coup twee jaar daarvoor aan drieduizend man het leven kostte. Arellano is een moorddadige militair die de arme boerenbevolking en de vakbonden met harde hand onderdrukt. Honduras is vanwege de corrumperende macht van de United Fruit Company en de Standard Fruit Company de trieste naamgever van het begrip Bananenrepubliek. Vervolgens verhuist Bolkestein naar het buurland El Salvador, een Amerikaanse satellietstaat waar volgens Noam Chomsky in die tijd dictators regeerden via moord, marteling en onderdrukking.

Begin jaren zeventig wordt Bolkestein directeur van Shell Indonesië. Op uitnodiging van de dictator Soeharto mag Shell weer terugkeren in de voormalige Nederlandse kolonie. In de jaren daarvoor had de nationalistische Soekarno grote delen van de enorme koloniale bezittingen van Shell genationaliseerd. In 1965 vond een coup plaats die nu wordt toegeschreven aan generaal Soeharto, met medeweten en steun van Nederland, de V.S. en Groot Brittannië.

De coup leidde tot een genocidale massamoord: schattingen houden het op een half miljoen tot een miljoen vermeende aanhangers van de Communistische Partij PKI, overwegend arme boeren. Volgens recent openbaar gemaakte Amerikaanse rapporten hebben de V.S. samen met Groot Brittannië, zowel materiële als informatieve en financiële steun geleverd aan de uitvoerders van de massamoorden. De inlichtingendienst van Shell had al eerder informatie over de communistische beweging samengebracht en financierde anti-communistische campagnes(.pdf), zoals de oud-NRC redacteur Peter Schumacher heeft beschreven in zijn recent heruitgegeven Ogenblikken van Genezing (2011). Of Shell op directe wijze betrokken is geweest – via haar intieme banden met de Britse regering – bij de latere massamoorden is onduidelijk, aangezien het archief van Shell om overduidelijke redenen niet publiekelijk toegankelijk is.

Nadat de lijken waren opgeruimd, kregen Shell en het Nederlandse bedrijfsleven weer toegang tot het grondstoffenrijke Indonesië. Als beloning steunden de Nederland regering en het Nederlandse bankwezen het regime van Soeharto (dat hoog scoort op kleptocratie, autocratie en massamoord) met vele miljarden aan subsidies en leningen. In zijn hoedanigheid als Shell-directeur was Bolkestein in direct contact met de politiek verantwoordelijken, zo niet de opdrachtgevers van de massamoord.

Praktische ervaring

Allereerst: wat een bittere ironie dat het juist deze door en door moreel gecompromitteerde man is, die van linkse intellectuelen een mea culpa eist, omdat zij heulden met dictators die massamoorden op hun geweten hebben. Bolkestein verdedigde dictators niet in theorie. Nee, de man van de praktijk ging regelmatig op de borrel met dat type mensen, en sloot er contracten mee.

Maar wat zegt dit over zijn denkbeelden? Het is een bekend voorschrift dat men een auteur zijn denken niet moet beoordelen naar zijn daden. Kunnen we Bolkesteins ideeën los beschouwen van zijn daden, als een soort intellectuele façade, waarachter zich iets schuilhoudt wat we maar even laten voor wat het is? Het korte antwoord is nee. Het beroep op de superioriteit van zijn praktische ervaring boven het ‘ijdel getheoretiseer’ is immers een inherent onderdeel van zijn betoog. Bovendien kunnen we Bolkestein moeilijk anders begrijpen dan als een product van de Koude Oorlog, politiek gevormd in een gewelddadige cocktail van dictatuur, dekolonisering en anticommunisme. Zijn politieke ideeën en zijn antipathie voor linkse intellectuelen zijn niet los te zien van zijn Koude Oorlogstijd. Zijn boutades tegen Mulisch krijgen extra betekenis, en vooral zijn weerstand tegen Sartre, wiens steunbetuiging aan gekoloniseerde volkeren hij zonder verdere uitleg afdoet als ‘potsierlijk’. Dat nieuwlinkse intellectuelen beide strijdende partijen in de Koude Oorlog veroordeelden ziet Bolkestein als ‘een absurde morele gelijkstelling’. De rechtse intellectuelen die zich met politiek bemoeien, krijgen natuurlijk een heel andere behandeling. Zij staan in de dankbetuiging van het boek vermeld: Arend Jan Boekestijn, Paul Cliteur, Andreas Kinneging, Ayaan Hirsi Ali, Joshua Livestro en de recent bekeerde Meindert Fennema – om er maar een paar te noemen.

Ode aan de contradictie

Maar goed, het is wel degelijk mogelijk om het boek op een wat afstandelijker manier te beoordelen, als we enkel kijken naar de coherentie van de argumentatie. Dan valt al vrij snel op dat dit boek een ode is aan de contradictie. Let wel, we hebben hier te maken met een auteur die een intellectuele status probeert te verwerven met het afgeven op intellectuelen. Een auteur die de loftrompet afsteekt over de nuchtere bescheidenheid van de man van de praktijk (hijzelf dus) en vervolgens niet die praktijk, maar de ideeëngeschiedenis van de afgelopen tweehonderdvijftig jaar (!) behandelt. Een auteur die als een moderne Icarus het luchtruim kiest met niet veel meer tot zijn beschikking dan de haastig bij elkaar gelijmde samenvattingen van zijn favoriete conservatief-liberale denkers; die door zijn hoogdraverij al snel ter aarde stort, in een verfrommelde wirwar van interne tegenstrijdigheden.

Zo maakt Bolkestein het ene moment het (Popperiaanse) verwijt aan Marx en Freud dat zij het rationalisme hebben ondermijnd, wat geleid zou hebben tot het nationaalsocialisme, terwijl hij in het slotbetoog weer droogjes stelt dat juist het rationalisme van intellectuelen het probleem is. Zo gaat Bolkestein het ene moment tekeer tegen het multiculturalisme, dat leidt tot ‘cultureel masochisme’, maar koestert hij tegelijkertijd een onverklaarbare nostalgie voor de Weense dubbelmonarchie, waar ‘endogame’ nationaliteiten langs elkaar heen leefden, met een ‘diepgewortelde tolerantie’ en een ‘montere onverschilligheid’. Het boek staat vol met dit type tegenstrijdigheden. Het leest als het intellectuele equivalent van een meerstemmig koor zonder dirigent.

Daarbij raakt Bolkestein veelvuldig verstrikt in zijn eigen netten. In navolging van Friedrich Hayek beschimpt Bolkestein universitair docenten, journalisten, bureaucraten en politici als ‘handelaren in tweedehands ideeën’. Een onhandige kritiek, want wat is ‘De Intellectuele Verleiding’ anders dan een slecht geschreven agglomeratie van tweedehands ideeën, die Bolkestein bijeen gesprokkeld heeft uit secundaire literatuur? Nietzsche leest hij via Goudsblom, het Duitse idealisme en de Russische denkers via Isaiah Berlin, de hedendaagse Franse filosofie via Mark Lilla, en de vitalisten en futuristen via Paxton. Het lijkt erop dat Bolkestein bijna geen enkele auteur zelf heeft gelezen.

Als Bolkestein wel iets direct van de bron heeft, loopt het helemaal spaak. Neem Rousseau, een sleutelfiguur in het boek. Rousseau is volgens Bolkestein tegelijkertijd een figuur van de ‘rationele’ Verlichting en van de ‘irrationele’ Romantiek, tegelijkertijd een totalitair denker die het Sovjet-communisme heeft ingeleid, maar vervolgens toch ‘eigenlijk een soort conservatief’ die wars is van vernieuwing en hecht aan het eigendomsrecht. De talloze fouten in de beschrijving van de denkbeelden van Rousseau zal ik maar niet noemen. Belangrijker is dat het boek gebouwd is op een aantal kinderlijk simplistische dichotomieën (rationeel versus irrationeel, praktijk versus theorie, behoud versus revolutie) waarvan er bij nadere inspectie geen enkele blijkt stand te houden.

Het is navrant dat zijn praktische ideeën over politiek lijden aan hetzelfde euvel. We lezen dat de  beweging van ’68 de fout heeft gemaakt zich zowel tegen de vrije markt als de bureaucratie te keren. De twee gaan niet samen, het is of de vrije markt of de bureaucratie, wordt ons verteld door de man die aan het hoofd heeft gestaan van de duizenden bureaucraten van de Europese Commissie die vorm geven aan de Europese interne markt. Met hetzelfde soort ideologische simplisme pleit Bolkestein tegen protectionisme, en stelt hij vrijhandel verantwoordelijk voor de groei in Azië. Terwijl de algemene lezing toch is dat Azië juist door middel van hevig protectionisme groot is geworden. We hoeven alleen maar aan China te denken met zijn tariefmuren en vestigingsbeleid. Spreekt hier de ervaring of zijn het de vermaledijde abstracte principes die volgens Bolkestein zo gevaarlijk zijn, ditmaal die van Hayek en Friedman?

Het ergste is nog dat het betoog van Bolkestein, in al zijn irrationaliteit, kan omslaan in een bedreiging voor de verlichtingswaarden die hij zegt te verdedigen. Zo stelt hij: “Met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als maatstaf, is het mogelijk een rangorde van culturen aan te brengen.” De Westerse cultuur is volgens Bolkestein “superieur aan die van de moslimwereld”. Laten we ten eerste niet vergeten dat met dit gevaarlijke idee van de Westerse superioriteit als excuus, miljoenen mensen zijn vermoord, in verschillende koloniale veroveringsoorlogen. En ten tweede is een dergelijk statement ook in strijd met het universalisme van de verlichting zelf, dat geloofde in universele menselijke gelijkheid en de universele kracht van de rede om culturen te overbruggen. Het paradoxale is hier dat als je de verlichting tot het ‘judeo-christelijke Westen’ beperkt, zoals Bolkestein in zijn boek doet, dat je daarmee de verlichting zelf in de ban doet.

Zo stelt de Sloveense filosoof Slavoj Zizek dat de protesten in Egypte het beste bewijs zijn van de universele validiteit van de verlichtingsidealen, ook onder moslims. Zizek stelt verder dat niet de islam, maar de rechtse islambashers de grootste vijanden zijn voor de verlichtingsidealen in Europa, precies omdat zij de universaliteit van die idealen bestrijden. In zijn boek lijkt Bolkestein maar al te gewillig om deze stelling te bevestigen.

Weerzin tegen de abstracte rede

Laat ik proberen af te sluiten met een antwoord op de vraag waarom Bolkestein zo’n hekel heeft aan intellectuelen. Essentieel hier is dat Bolkestein zich vooral verweert tegen de algemene geldigheid van ideeën:

‘Zij [de intellectuelen] hebben de neiging op basis van algemene beginselen en niet gehinderd door ervaring uitspraken te doen over tal van bijzondere onderwerpen, wat vaak ontaard in ijdel getheoretiseer dat het zicht op de werkelijkheid blokkeert. Vooropgezette ideeën beperken het waarnemingsvermogen.’

Velen zouden zeggen dat ideeën het waarnemingsvermogen juist kunnen aanscherpen. Het conservatisme kenmerkt zich sinds Edmund Burke echter door een weerzin tegen de ‘abstracte rede’ en een beroep op (morele) intuïtie en praktijkervaring. Datzelfde beroep op intuïtie is ook de reden waarom het conservatisme weinig denkers van formaat heeft voortgebracht. Intuïtie heeft immers geen zorgvuldige onderbouwing nodig.

Dat deze stroming toch zo’n grote invloed heeft komt omdat de taal van het conservatisme veelal ook de taal is van het politieke en economische gezag. Omdat het complexe positiespel in die kringen meer gebaat is bij intuïtie dan bij algemene principes. Omdat het conservatieve beroep op de autoriteit van ouderdom, eigendom en intuïtie betekent dat het gezag zich niet hoeft te legitimeren. Bolkestein is een man van die wereld, zijn intelligentie is niet afleesbaar aan zijn coherentie. Het is eerder af te leiden uit de formule van Scott Fitzgerald, die eens zei dat de proeve van een grote intelligentie gelegen is in de capaciteit om twee tegenovergestelde ideeën in gedachten te houden en nog steeds te kunnen functioneren. Bolkestein is een dergelijk machtsdenker, zijn autoriteit en intelligentie zijn gelegen in zijn intuïtie. De grootste bedreiging van zijn autoriteit ligt in de wereld van abstracte principes en idealen. En bij de mensen die zich nog buiten het institutionele positiespel bevinden, in het bijzonder jongeren. Waarschijnlijk is dat de reden voor zijn rancune richting intellectuelen en zijn wantrouwen richting de jeugd. Aan ons de taak om erop toe te zien dat zijn zorgen gerechtvaardigd zijn.

Gepubliceerd op de Reactor en Joop, januari 2012.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s