Home

Zaterdag 9 februari was in de NRC een uitgebreide lofrede op de ironie te lezen van de schrijver P.F. Thomése. De ironie is volgens Thomése de perfecte nihilistische geste, omdat het in al zijn dubbelzinnigheid laat zien dat elk moreel oordeel gefundeerd is op twijfel. De ironische geest, zo lamenteert Thomése, bevindt zich echter in de verdrukking in een tijd gekenmerkt door populisme en fundamentalisme.

Je vraagt je af op welke planeet Thomése zich de afgelopen tien jaar heeft bevonden. Lees de teksten van Geenstijl, juist de ironie is een paardenmiddel in het verkopen van nieuwe waarheden, liefst met seksistische en racistische inslag. Het deftige schrijversnihilisme van Thomése steekt er bleek bij af.

Ooit was het nihilisme in schrijverskringen nog fris en kritisch. Het bereikte het hoogtepunt van zijn populariteit in het protest tegen de verzuiling. Het was een hulpmiddel voor de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal, tegen de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor een hele generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij ademgehaald kon worden. Het was het perfecte breekijzer, een oorlogsverklaring aan elke vorm van betutteling. Ieder medicijn heeft natuurlijk zo zijn bijwerkingen. In het geval van het nihilisme werden ze lange tijd voor lief genomen: opgeblazen ego’s van schrijvers die zich übermenschen wanen, overdreven geloof in de eigen individualiteit c.q. genialiteit, een gemakzuchtige hekel aan de massa, en een afkeer van elke vorm van collectief beleefde moraal of politieke overtuiging.

Dit tot nihilisme gesublimeerde protest tegen de verzuiling werd gepopulariseerd via het werk van W.F. Hermans en bijgestaan door de vernietigende ironie van Gerard Reve. Het wortelde zich diep in onze cultuur en wordt veelal onbewust door menig schrijver en journalist gereproduceerd.

Er is een deftig schrijversnihilisme, dat van mensen als Grunberg, Thomése, Drayer en ‘t Hart, dat de kassa’s doet rinkelen en de betekenisloosheid van de wereld in telkens nieuwe variaties voorschotelt aan een middenklasse-publiek dat daar om een of andere reden behoefte aan heeft. Dit type nihilisme heeft zeer weinig te melden in een wereld waar god en gebod hun dwingende kracht hebben verloren. Wat overblijft is het gebanaliseerde nihilisme van Richard Rorty en consorten. Het is een minderwaardig, passief nihilisme, dat niet in staat is om een nieuwe moraal te scheppen, zoals dat Nietzsche voor ogen stond.

Maar er is ook een gepolitiseerd, volks nihilisme, dat actief en scheppend is. Toen Pim Fortuyn in 2002 tekeer ging tegen het gemoraliseer van de linkse kerk, kanaliseerde hij Hermans en Reve. Toen Theodor Holman voorstelde om Polen niet bij een PVV meldpunt aan te geven, maar neer te schieten en verrot te schoppen, vermelde hij er netjes bij dat het Nietzsche was die hem daartoe inspireerde. Geenstijl is voor de goede verstaander even expliciet in haar nihilistische inspiraties. Het weblog verzet zich tegen fatsoensterroristen en moraalneukers en roept op tot hufterigheid als een vorm van individuele progressie, van emancipatie en eigen meningsvorming. De nihilistische ironie is gepolitiseerd en gepopulariseerd tot een brede, incorrecte sociale beweging. Bas Heijne had er een scherp oog voor:

“Als er ooit een geschiedenis van nieuw-rechts populisme wordt geschreven, dan mag daarin de grootste invloed niet ontbreken: Gerard Reve. De taal van de huidige politieke revolte is doordrenkt van reviaanse ironie – het half ironisch, half serieus sarren van die brave progressieve weldenkenden met hun humorloze bedilzucht en morele zelfgenoegzaamheid. “Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden”, luidt de favoriete zin van veel revianen. Daar zit het allemaal in – die hyperbolische agressie die echte woede uitdrukt, maar tegelijk ook komische onmacht. De ironie van Reve, altijd maar half ironisch, heeft zich nu in het publieke domein genesteld. Theo van Gogh, die ‘de Goddelijke Kale’ Fortuyn mocht influisteren, was een groot Revefan. Martin Bosma vindt Reve de grootste schrijver. Het beste van GeenStijl druipt van reviaanse ironie.”

Het deftige schrijversnihilisme dat zich uit principe weinig van de massa aantrekt, lijkt van dit alles bijzonder weinig te hebben meegekregen. Zo kan het dat dit weekeinde een groot stuk van P.F. Thomése in de NRC te lezen was, waarin de auteur zich afvraagt waar toch de ironie is gebleven. Je moet wel op een zeer afgelegen lokatie leven om een dergelijke vraag alleen al te kunnen bedenken, laat staan verwoorden. “In deze tijden van fundamentalisme, populisme en moralisme heeft de ironische geest het moeilijk”, aldus Thomése. Waarmee de auteur aantoont helemaal niets van de tijdsgeest te hebben begrepen. Het ís juist de ironische geest die tegenwoordig naar hartenlust fundamentalisme, populisme en moralisme bedrijft.

Thomése begrijpt dit niet omdat hij denkt dat ironie noodzakelijkerwijs onbepaaldheid inhoudt, het niet de vinger kunnen leggen op de betekenis der dingen. Dat ironie per definitie uitgaat van een fundamentele twijfel is echter een groot misverstand. Lees de ironie van Geenstijl en PowNed, welke metafysische twijfel is er in godsnaam te vinden in het item “Een neger omdat het moet?”. De ironie is juist een paardenmiddel in het verkopen van nieuwe waarheden, liefst met seksistische en racistische inslag. De lofrede van P.F. Thomése op de ironie lijkt dan ook verdomd veel op een deftige variant van het ironische Huftermanifest van GeenStijl, dat net als Thomése afgeeft op de Gütmensch, zij het op een wijze die het minder goed doet bij het deftige NRC lezerspubliek. Het verschil is dat GeenStijl ergens voor staat en stelling neemt. Dan heb ik nog liever de rechtse onbeschoftheid van GeenStijl, dan het naïeve nietsisme van P.F. Thomése.

De geëngageerde schrijver kan zich volgens Thomése niet uitspreken over de wereld. De clownsneus van de ironicus blijft altijd zichtbaar. De vorm speelt hem parten. Zijn woorden zullen altijd anders begrepen worden dan ze zijn bedoeld. Natuurlijk is dit postmodern verwoorde jaren negentig onzin. Talloze schrijvers over de gehele wereld spreken zich onophoudelijk uit over maatschappelijke kwesties en weten zich tot hun publiek te verhouden. De dominantie van een dergelijke vijandig houding ten opzichte van engagement is echter tevens iets typisch Nederlands. Wat Thomése hier doet is het opvoeren van de specifieke Nederlandse notie van de autonomie van de kunst, die telkens weer afgelebberd en voorgekauwd wordt aan nieuwe generaties van cultuurmakers: gij zult niet maatschappelijk iets betekenen, buiten het domein van de kunsten. Een dergelijke beperkte invulling van het autonomiebegrip impliceert een vorm van zelfgekozen talige detentie. Het is paradoxaal genoeg juist dit autonomiebegrip dat een enorme inbreuk doet op de autonomie van de schrijver of kunstenaar in kwestie, want zij mogen, kunnen zich niet buiten het terrein van de kunsten kenbaar maken. Zo is de lofrede op de ironie eigenlijk een verkapte viering van de gevangenschap in het eigen reservaat. In de woorden van Jacq Vogelaar “De schrijvers spelen in hun reservaat, en de rest gaat gewoon door.”

Of, om het met iets meer pathos te verwoorden: dat het halve literaire establishment in Nederland zich vastklampt aan een verlopen nihilisme is niets anders dan een eloquente vorm van lafheid.

Zie tevens de discussie op Ooteoote.

One thought on “Gevangen in ironie: het naïeve nietsisme van P.F. Thomése

  1. Pingback: Hopla | MO

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s