Op het gevaar af dat mensen gaan vermoeden dat ik een vreemd soort Bolkestein-obsessie heb, wilde ik toch wat woorden wijden aan De ongenaakbare, de nieuwe Bolkestein-biografie van Dik Verkuil. Het kwam op mijn pad omdat ik gevraagd was voor de promotiecommissie van de biografie. Zodoende was ik aanwezig om te opponeren bij de verdediging van Verkuil in de aula van de Rijksuniversiteit Groningen afgelopen week.
Nu is het zo dat Verkuil zich in zijn biografie nogal afzet tegen mijn werk: ik zou dingen op één hoop vegen, Bolkestein ten onrechte met Friedrich Hayek associëren, onjuiste beweringen doen over de literatuur en nog meer kwalijke zaken. Wie de Bolkestein-biografie leest, kan zomaar het idee krijgen dat ik dingen uit mijn duim zuig. Aangezien de promotie een feestelijke gelegenheid is waar je niet al te diep in kan gaan op dit soort onenigheid, hier toch een wat uitgebreidere reactie.
1. De Hayek-connectie
Er ontstond een klein relletje nadat ik in mijn proefschrift Bolkestein een bewonderaar noemde van de Oostenrijkse filosoof Friedrich Hayek, de grondlegger van het neoliberalisme. Bolkestein stuurde boos een ingezonden briefje naar NRC, waarin hij schreef: ‘Hoe verzint hij het? Ik heb Hayek nooit gelezen’. In een later interview noemde hij me zelfs ‘een dwaas’.
Ik antwoordde daarop dat Bolkestein veertien jaar lang in het curatorium van de prestigieuze Friedrich-August-von-Hayek-Stiftung had gezeten, samen met Hans Tietmeyer, de directeur van de Duitse Bundesbank. Daar reikten zij om het jaar prijzen uit in de geest van het werk van Friedrich Hayek. Bolkestein citeerde Hayek ook regelmatig in zijn boeken en noemde hem ‘misschien wel de belangrijkste liberale politieke filosoof van de twintigste eeuw’. Bolkestein was ten tijde van het relletje al flink op leeftijd, maar het leek me onwaarschijnlijk dat hij dit allemaal was vergeten.
Dik Verkuil komt in zijn biografie uitgebreid ter verdediging van Bolkestein. De analyse in mijn proefschrift wordt daarbij als vergezocht terzijde geschoven. Verkuil vertelt dat Bolkestein wel boeken van Friedrich Hayek in zijn boekenkast had staan, maar dat hij daar geen actieve herinnering meer aan had. ‘De conclusie moet zijn dat hij kennis had genomen van Hayek, maar dat die hem slechts beperkt had beïnvloed’, aldus Verkuil (p. 258). Het is een conclusie waar de biograaf zelf ook niet helemaal in lijkt te geloven. Dit schrijft Verkuil namelijk in het slothoofdstuk van de biografie:
‘Pas nadat hij voor de VVD had gekozen ging hij zich gericht verdiepen in het liberalisme; hij las toen bijvoorbeeld de liberale klassieker The Road to Serfdom van Friedrich Hayek. Zo ontdekte hij dat hij een liberaal was.’
(p. 725)
Hayek had dus maar beperkte invloed op Bolkestein, maar vormde hem wel tot liberaal. Dit kan niet allebéí waar zijn. Afijn, Verkuil stelt vervolgens andere invloeden centraal. Zijn échte grote voorbeelden waren de Duitse FDP-politicus Otto Lambsdorff en de Britse econoom Peter Bauer. Bolkestein correspondeerde uitgebreid met hen, interviewde ze en ging bij hen thuis op bezoek. Lambsdorff noemde hij zijn grote voorbeeld en Bauer een van zijn ‘leermeesters’.
Verkuil gaat in de biografie maar heel summier in op de denkbeelden van deze vormende inspiraties. Bauer was echter een goede vriend en geestverwant van Friedrich Hayek (en Margaret Thatcher). Hij was een vroeg, vooraanstaand lid van de fameuze Mont Pèlerin Society, de door Hayek en Friedman opgerichte club die vaak ‘de Internationale’ van het neoliberalisme is genoemd. Bauer kreeg in 2002 de Milton Friedman Prize for Advancing Liberty (de prijs is een kwart miljoen dollar, toch iets genereuzer dan onze P.C. Hooftprijs) uitgereikt door de Amerikaanse neoliberale denktank CATO.
De liberaal Otto Lambsdorff, de Duitse Minister van Economische Zaken van 1977 tot 1984, schreef de introductie bij de Duitse editie van Hayek’s The Road to Serfdom en werd in 2004 geëerd met de Hayek-medaille door weer een andere Hayek-denktank, namelijk het Hayek-Gesellschaft.
Waarom was Friedrich Hayek zo’n belangrijke naam in deze kringen en deze denktanks? Hayek populariseerde het idee dat de ideeënstrijd centraal moest staan in de neoliberale beweging. Meer dan economische belangen, zo leerde Hayek, waren het ideeën die de richting van de politiek bepaalden op de langere termijn. Dit kreeg handen en voeten in allerlei neoliberale denktanks, gefinancierd door het bedrijfsleven.
Een van de eerste en beroemdste is het Britse Institute of Economic Affairs, opgericht door een rijke bewonderaar van Hayek. Hier werden de teksten van Hayek en andere neoliberale denkers samengevat en de beleidsagenda van Margaret Thatcher uitgewerkt. Frits Bolkestein gaf in zijn tijd als eurocommissaris een lezing bij deze beroemde Britse denktank, die hij al volgt begon:
‘Ideas have consequences. I have always been persuaded of the truth of this statement and so it was only logical that, as a budding young MP (well, young, I was a sprightly 45 year-old), I decided to take a subscription to the publications of a free market research institute which at that time was very much at the forefront of the battle of ideas. That research institute was the IEA and I owe it a profound debt of gratitude. The Institute and its authors, many of them Nobel laureates, have equipped people such as myself with the intellectual tools to fight, and win, the great political debates of the eighties and nineties.’
Waarom nu al dit gemierenneuk over de vraag of Bolkestein Hayek nou gelezen had of niet? Waar het mij om gaat, is dat dit Hayekiaanse idee van politiek als een ‘battle of ideas’ heel kenmerkend is voor de kringen waaruit Bolkestein zijn inspiratie putte. Het is opvallend dat Bolkestein zelf ook een dergelijke ideeënpolitiek bedreef in Nederland. Hij domineerde continu het debat aan de hand van opiniestukken, lezingen en zo verder. Ik vermoed kortom, dat de biograaf hier toch een steek heeft laten vallen. Waarom zou Bolkestein de vormende invloed van Hayek hebben ontkend? Dik Verkuil geeft zelf al het antwoord, in een apolitiek en anti-intellectueel land als Nederland werkt dat beter:
Als VVD’er moest hij niet te intellectueel lijken. Zijn weerzin tegen Den Uyl en Nieuw Links kon hij juist oppompen. Hij presenteerde zich ook als een realist en een praktisch man, een Amsterdamse koopman die nuchter naar de realiteit keek en deed wat nodig was. Vermoedelijk zag hij zichzelf werkelijk zo, maar het was toch vooral het beeld dat hij van zichzelf wilde geven. Het verhulde dat hij ideologisch keuzes maakte en wekte de indruk dat het redelijkerwijs niet mogelijk was anders te denken dan hij. (p. 725)
2. Islamvisie
Waar Verkuil zich bovenal tegen afzet, is de stelling dat Bolkestein een wegbereider zou zijn geweest van de anti-islampolitiek van Fortuyn en Wilders. Hij neemt daarbij niet alleen stelling tegen mijn proefschrift, maar keert zich tegen een reeks van academische publicaties over het integratiedebat, waaronder het werk van Leo Lucassen en Justus Uitermark.
In weerwil van academici die Bolkestein als een wegbereider zien van de anti-islampolitiek van Fortuyn en Wilders, stelt Verkuil dat Bolkestein, ‘door het probleem van immigratie, integratie en islam te adresseren, een dam opwierp tegen de populistische vloed’ (p. 723) De VVD-leider had een nuchtere en realistische visie op de islam. Dat is natuurlijk het beeld dat Bolkestein zelf graag van zijn interventies gaf, maar klopt het ook?
Een sleutelrol speelt de controversiële Lüzern-lezing van Frits Bolkestein over de integratie van minderheden uit 1991. Het vormde het openingssalvo van het integratiedebat dat dertig jaar later nog steeds niet uitgeraasd is. Bolkestein stelde daarin dat de westerse beschaving doordrenkt was van de waarden van het christendom. ‘Na een lange geschiedenis met tal van zwarte bladzijden’, zo zei hij, ‘hebben rationalisme, humanisme en christendom een aantal fundamentele politieke beginselen voorgebracht, zoals: de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid en de non-discriminatie.’
De VVD-leider constateerde dat het binnen de islamitische wereld slecht gesteld was met deze waarden. De islam zou zo’n zevenhonderd jaar achterlopen op het christendom. Vandaar dat de westerse beschaving ‘superieur’ was aan die van de islam. Volgens de VVD-leider was het de taak van het liberalisme om de universele waarden van de westerse beschaving compromisloos te verdedigen.
De Amerikaanse socioloog Rogers Brubaker, noemt dit type discours ‘civilizationism’. Het construeert de wij-zij tegenstelling aan de hand van beschavingen in plaats van de nationalistische identiteiten van voorheen. Fortuyn en Wilders zouden een vergelijkbaar verhaal ontwikkelen over botsende beschavingen. Bolkesteins drieslag van rationalisme, humanisme en christendom, zou plaatsmaken voor de judeo-christelijke cultuur.
Bolkestein schreef zelf dat zijn islamvisie sterk beïnvloed was door het werk van de conservatieve Midden-Oosten-deskundige Elie Kedourie (1926-1992), die hij na de Iraanse Revolutie van 1979 was gaan lezen. De revolutie in Iran moet voor een olieman als Bolkestein van bijzondere betekenis zijn geweest. Zijn voormalig werkgever Shell had daar immers grote belangen opgebouwd, die tijdens de revolutie genationaliseerd werden. Bolkestein las naar eigen zeggen alles van Kedourie wat hij te pakken kon krijgen en noemde hem zijn ‘leermeester’. Van zijn ideeën geeft Verkuil (alweer) slechts een zeer summiere weergave.
Kedourie groeide op als Irakese jood in Bagdad in de jaren twintig en dertig, toen dat nog Brits mandaatgebied was. Later, als Midden-Oosten-deskundige aan de Britse LSE, keerde hij zich fel tegen de dekolonisatie en het Arabisch nationalisme, die hadden geleid tot de verdrijving van de joodse minderheid in Irak.
In zijn vakgebied stond Kedourie bekend als ‘cultureel essentialist’: hij beweerde dat de islamitische cultuur afwijkend, eenvormig en achterlijk was: de westerse democratie en economische ontwikkeling waren niet aan moslims besteed. Kedourie was dan ook een bewonderaar van het Britse kolonialisme, dat naar zijn mening veel te vroeg pas op de plaats had gemaakt. Het is intrigerend om te zien hoe dit spoor van het koloniale denken over de islam, via Bolkestein het integratiedebat in werd getrokken.
Bij Bolkestein zien we dat essentialisme eveneens terug. De visie op cultuur die in zijn Lüzern-lezing verscholen zit, heeft bijna de logica van een softwarepakket: het westerse besturingssysteem heeft de laatste updates gehad en enkele bug-fixes doorgevoerd. De islam zit door hardnekkige systeemfouten blijvend vast in MS-DOS.
Culturen zijn natuurlijk niet zo eenvormig. In werkelijkheid bestaan er binnen beschavingen allerlei verschillende tendensen en dynamieken. Zo zijn er in het westen evengoed reactionaire bewegingen te bespeuren. De meest geavanceerde sectoren, denk aan Silicon Valley waar nu pleidooien voor fascisme en monarchisme klinken, kunnen er de meest regressieve ideeën op na houden. Het Midden-Oosten is evenmin eenduidig. Zo had Iran een democratische regering toen in 1953 de VS en het VK besloten daar een coup te organiseren. De CIA en MI5 hielpen de dictatoriale sjah aan de macht, om zo westerse oliebelangen veilig te stellen.
Net als de islamitische wereld niet te reduceren is tot fundamentalisme, heeft het westen geen liberale essentie. De westerse cultuur is niet als software die telkens beter en geavanceerder wordt. Soms lijkt het alsof we weer terugvallen op een schokkerige bèta-versie.
Wie zou er vandaag de dag nog zeggen, kijkend naar het Trump-regime in de Verenigde Staten, dat de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid en de non-discriminatie blijvende verworvenheden zijn van de christelijke, westerse beschaving? Wie durft nog te beweren dat we de zwarte pagina’s uit onze geschiedenis voorgoed achter ons hebben gelaten? Er verschijnt een pseudo-fascistisch leider op het wereldtoneel en onze oud-premier noemt hem ‘daddy’. Het westerse liberalisme is overal in crisis.
Wat de biografie wél laat zien, is dat Bolkestein zijn anti-islam standpunten afwisselde met opvallend inschikkelijke geluiden. Het ene moment noemde hij islam en westers liberalisme ‘onverenigbaar’, het volgende moment vond hij ze goed te combineren. Het ene moment dreigde ‘islamisering’, het volgende moment ontkende hij dat stellig. Het was eerder het westen dat de islam bedreigde. De islam bevond zich nog in de middeleeuwen, nee, de moderne islam lag binnen handbereik!
Na een tijdje is er eerlijk gezegd geen lijn meer in te herkennen. De verrassende conclusie na het lezen van de biografie is toch eerder dat Bolkestein helemaal geen eenduidige islamvisie hád. Hij improviseerde een beetje. Hij was zowel wegbereider als criticus van het populisme. Hij stookte het vuurtje op als dat hem uitkwam, of probeerde het juist te blussen. Zijn nauwe band met Wilders en Fortuyn blijft opvallend. Een veelzeggend detail uit de biografie is dat Fortuyn de VVD-leider in de jaren negentig zijn columns faxte, en dat Bolkestein die soms met verbeteringen terugstuurde (p. 612).
Afhankelijk van waar je de nadruk legt, kun je Bolkestein tot de meer gematigde vleugel rekenen, of hem juist als wegbereider zien. Wat echter niet kan, is hem portretteren als nuchtere realist, want daarvoor sprong hij toch te veel van de hak op de tak.
3. Slordig
Tot slot citeert Dik Verkuil opvallend slordig uit mijn werk. Zo refereert hij structureel aan de titel van mijn proefschrift als De conservatieve revolutie. Zo heette de Duitse conservatieve stroming die pacteerde met het nazisme, het lijkt me wat zwaar aangezet als titel voor een proefschrift over Fortuyn en Bolkestein (de echte titel is De conservatieve revolte).
Ook zou ik Bolkestein een ‘grondlegger van het neoliberalisme’ noemen (p. 13). Dan zou hij toch als kleuter al politiek actief moeten zijn geweest, want het neoliberalisme ontstond eind jaren dertig. Verder constateert Verkuil dat ik onterecht beweer dat Pim Fortuyn in zijn inaugurele rede Een toekomst zonder ambtenaren (1991) naar Frits Bolkestein zou verwijzen. Dat doet Fortuyn echter wel, namelijk op pagina 38.
Verkuil is er ook niet over te spreken dat ik Bolkestein associeer met de politieke tegenhanger van de new left, namelijk de new right, met Margaret Thatcher en Ronald Reagan als bekendste vaandeldragers. ‘Probleem van die stelling is dat hij niet onderscheidend is’, schrijft Verkuil streng (p. 673). Ik zou met de term ‘nieuw rechts’ alles en iedereen op één hoop gooien. Het lijkt erop dat hij mijn definitie van dat begrip echter niet heeft gelezen:
De term ‘nieuw rechts’ kwam in omloop in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk om de conservatieve bewegingen aan te duiden die in de jaren zestig en zeventig tegelijk met ‘nieuw links’ opkwamen. De politiek van Thatcher en Reagan wordt wel gezien als het hoogtepunt van nieuw rechts. Enerzijds is het ‘nieuwe’ aan nieuw rechts de combinatie van vrijemarktpolitiek met cultuurconservatisme, door onderzoekers beschreven als een complexe en soms tegenstrijdige fusie van neoliberale en (neo)conservatieve ideeën. Anderzijds forceerde nieuw rechts een breuk met de gematigde naoorlogse rechtse politiek, een tijd waarin liberale en conservatieve partijen meewerkten aan de uitbouw van de verzorgingsstaat. Nieuw rechts was radicaler van karakter. Het had de ambitie om het oude sociale contract te verbreken en te vervangen. De backlashpolitiek van nieuw rechts keerde zich tegen bestaande elites en instituties, die in zijn ogen waren aangetast door de erfenis van de jaren zestig. Het doel was de vrije markt en traditionele vormen van moreel gezag nieuw leven in te blazen. Om dit ambitieuze project te volbrengen, omarmde nieuw rechts het maakbaarheidsdenken en zag het de ideeënstrijd als cruciaal voor het verwezenlijken van verandering. (Oudenampsen 2018, pp. 21-22)
Dit is als definitie juist zeer onderscheidend. De omgekeerde kritiek zou meer op zijn plaats zijn geweest: dat ik in mijn proefschrift wat al te genereus ben met de mensen die ik onder ‘nieuw rechts’ schaar. Frits Bolkestein echter, voldoet aan al deze elementen. Ik denk nog steeds dat de gewezen VVD-leider goed te plaatsen is in deze internationale stroming.

Leave a comment