Er is recent een nieuwe biografie uitgekomen: Ruud Lubbers. Een slag anders (Boom 2024). In het boek keren de auteurs zich tegen het gebruik van de term ‘neoliberalisme’ om de omslag onder de kabinetten-Lubbers te duiden. Ze zijn derhalve kritisch op het boek “Neoliberalisme, een Nederlandse geschiedenis”, van Bram Mellink en ondergetekende (Boom 2022). Op zich helemaal legitiem natuurlijk, maar jammer genoeg met een wel erg gemakzuchtige argumentatie. Hierbij een korte respons.
Dit is de kritiek:
“Problematisch bij dit etiket is dat het een containerbegrip betreft waar vaak verschillende dingen onder worden verstaan. Dat was ook al het geval in de periode-Lubbers: de term neoliberaal werd in de jaren tachtig weinig gebruikt maar als dit gebeurde, werden steeds andere facetten uitgelicht. Het helpt al als er een eensluidende definitie wordt gehanteerd. De historicus Bram Mellink en socioloog Merijn Oudenampsen schreven in 2022 Neoliberalisme, Een Nederlandse geschiedenis. Volgens hun definitie geloven neoliberalen in beginsel in de vrije markt én dat alleen een actieve overheid in staat is om het voortbestaan van die markt te verzekeren. Dat is een tamelijk helder vertrekpunt. Mellink en Oudenampsen beschouwen ook Lubbers en Ruding als duidelijke exponenten van het neoliberalisme. Zij zouden zijn geïnspireerd door de crowding-out-theorie van de Amerikaanse monetaristen dat begrotingstekorten de economie afknellen. Hier begint de schoen toch te wringen, in ieder geval waar het Lubbers betreft. Het neoliberale stempel wordt al snel onbruikbaar om de complexiteit van het economisch beleid in zijn tijd beter te begrijpen. In de eerste plaats gaat het voorbij aan de vele aanvaringen tussen Lubbers en Ruding over dat beleid.”
Ze hebben ons boek alleen slecht gelezen of maken zich er wat makkelijk vanaf. We beweren niet dat Lubbers een “duidelijke exponent” van het neoliberalisme was. We schrijven nadrukkelijk dat hij schipperde tussen twee vleugels van zijn partij. Je moet niet eerst de analyse platslaan en dan ons verwijten dat deze te plat is. Hier is wat we schreven:
“De partij kende in de jaren tachtig een neoliberale vleugel met als boegbeeld minister van Financiën Onno Ruding. Daartegenover stond een keynesiaanse vleugel met fractievoorzitter Bert de Vries als voorman. De twee voerden intern een ‘gedurige pennenstrijd over het economisch beleid. Ruding hing het monetarisme en public-choicedenken aan en was een principieel voorstander van een kleinere overheid. De Vries was een gematigde keynesiaan en wilde alleen bezuinigingen om het evenwicht in de staatshuishouding te herstellen. Hij ging in de loop van de jaren tachtig steeds meer ‘tegenstand bieden tegen hen die bij het saneren niet van ophouden leken te weten’. Premier Ruud Lubbers schipperde behendig tussen beide vleugels en probeerde een middenkoers aan te houden. Waar Onno en [Bankpresident] Wim Duisenberg wel aan de ene kant van de boot zullen gaan hangen,lijkt het me nuttig als jj zulks aan de andere kant doet; vertelde hij zijn minister eens.” Door deze interne onenigheid bestond er geen eenduidige visie over wat het doel van het kabinetsbeleid op de langere termijn was. Lubbers was er een meester in om dergelijke tegenstellingen te verbloemen door zijn omfloerste taalgebruik, in de media al snel ‘lubberiaans’ genoemd. Het ging volgens Volkskrant-columnist Jan Blokker om ‘een wijze van spreken, zwijgen, verhullen, bemantelen of soms een beetje jokken.” (Mellink en Oudenampsen 2022, p. 179)
Dit schreven we ook:
“Als fractievoorzitter van het CDA had Lubbers zich nog in het keynesiaanse kamp bevonden en had hij zijn bedenkingen bij het Wagner-scenario. Lubbers gold echter als een pragmaticus, een man zonder duidelijk politiek kompas. Hij was volgens collega’s minder geïnteresseerd in ‘de einduitkomst van een oplossing’ dan in het vinden van een oplossing die politiek werkte. Als partijleider en premier maakte hij een andere inschat- ting. ‘Hij koos in 1982 voor een neoliberale politiek’, memoreerde Wil Albeda enkele jaren later.” (p. 177)
Ze stellen ook dat neoliberalisme een containerterm is en daarmee onbruikbaar. Alleen is tot op zekere hoogte elke ideologie natuurlijk een containerterm. Ook sociaaldemocratie betekent verschillende dingen voor verschillende mensen. Dat Joop den Uyl en Willem Drees jr. aanvaringen hadden, betekent niet dat ze geen sociaaldemocraten waren.
Sociaaldemocraten hebben natuurlijk een partij, dat hebben neoliberalen niet, is dan een terechte tegenwerping. Zoals veel gerenommeerde historische studies naar het neoliberalisme, gebruiken we het zelfbenoemde neoliberale netwerk van de Mont Pelerin Society van Friedrich Hayek en Milton Friedman als identificatiemechanisme. We laten zien dat de economen en ideeën die binnen dit netwerk circuleren, gebruikt worden door Nederlandse politici en beleidsmakers. Dat beteken niet dat politici of beleidsmakers honderd procent neoliberaal zijn. Zo zwart of wit is het natuurlijk nooit. Ze brengen die ideeën slechts gedeeltelijk in de praktijk. Op die basis kun je alsnog van mening verschillen of het beleid wel neoliberaal was. Maar dat is iets anders dan stellen dat die term überhaupt onbruikbaar is.
Tot slot is het wel erg hypothetisch om te schrijven dat Lubbers en Ruding “zouden zijn geïnspireerd door de crowding-out-theorie van de Amerikaanse monetaristen dat begrotingstekorten de economie afknellen”. De crowding-out-theorie stond notabene centraal in de regeringsverklaring van het eerste kabinet-Lubbers. Ze waren geïnspireerd door de crowding-out theorie.

Leave a comment